Portaalsite Vlaamse overheid > welzijn, volksgezondheid en gezin > beleid en regelgeving > JURIWEL:welzijns-  gezondheids- en gezinsregelgeving

U bekijkt momenteel de oude versie van Juriwel. Deze versie werd actueel gehouden tot 5 december 2008. De vernieuwde en actuele site vindt u op http://www.juriwel.be

| Home | Zoeken | Links | Contact

 

> Overzicht  Gezondheidszorg > Preventieve Gezondheidszorg > Basisregelgeving

Vorige paginaEerste pagina Volgende pagina

Decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid (B.S. 3.II.2004)

TITEL V. - Initiatieven met betrekking tot exogene factoren

HOOFDSTUK I. - Initiatieven met betrekking tot fysieke, ruimtelijke en materiële omgevingsfactoren
Afdeling I. - Initiatieven met betrekking tot biotische factoren
Onderafdeling I. - Initiatieven om schadelijke effecten, veroorzaakt door biotische factoren, te voorkomen
Onderafdeling II Initiatieven om uitbreiding van schadelijke effecten, veroorzaakt door biotische factoren, tegen te gaan
Afdeling II. - Initiatieven met betrekking tot fysische of chemische factoren
Afdeling III. - Initiatieven met betrekking tot ruimtelijke en materiële factoren
HOOFDSTUK II. - Initiatieven met betrekking tot leefstijlfactoren
HOOFDSTUK III. - Initiatieven met betrekking tot de sociale omgevingsfactoren

HOOFDSTUK I. - Initiatieven met betrekking tot fysieke, ruimtelijke en materiële omgevingsfactoren

Afdeling I. - Initiatieven met betrekking tot biotische factoren
Onderafdeling I. - Initiatieven om schadelijke effecten, veroorzaakt door biotische factoren, te voorkomen

Art. 39.
§ 1. De Vlaamse regering beoogt schadelijke effecten, veroorzaakt door biotische factoren, te voorkomen bij de mens.
§ 2. Ze kan met betrekking tot biotische factoren die een potentieel gevaar vormen voor de volksgezondheid, initiatieven nemen ter voorkoming van infecties, allergieën of intoxicaties. Die maatregelen moeten gemotiveerd worden.

Art. 40.
Onverminderd de bevoegdheden van officieren van de gerechtelijke politie en van de burgemeester, houden de ambtenaren die de Vlaamse regering aanduidt, ieder voor zijn opdracht, toezicht op de naleving van artikel 39.

Art. 41.
§ 1. Binnen de bevoegdheden die aan hen toegewezen zijn overeenkomstig artikel 40, kunnen de in artikel 40 bedoelde ambtenaren, mondelinge of schriftelijke raadgevingen, aanmaningen en bevelen geven.
§ 2. De in artikel 40 bedoelde ambtenaren stellen de overtredingen vast door middel van processen-verbaal die bewijskracht hebben tot het tegendeel bewezen is. Een afschrift van het proces-verbaal wordt per aangetekende brief ter kennis gebracht van de overtreder binnen vijf werkdagen na de vaststelling van de overtreding. De postdatum geldt hiervoor als bewijs. Ook wordt een afschrift van het proces-verbaal schriftelijk ter kennis gebracht van de administratie.
§ 3. Binnen de perken van hun opdracht en voorzover dat noodzakelijk wordt geacht, hebben de in artikel 40 bedoelde ambtenaren, op elk ogenblik van de dag of van de nacht, zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang tot alle plaatsen waaruit het risico op de effecten, bedoeld in artikel 39, § 2, kan voortkomen.
§ 4. Binnen de perken van hun opdracht en voorzover dat noodzakelijk wordt geacht, mogen de in artikel 40 bedoelde ambtenaren :
- elk onderzoek, elke controle en elke enquête instellen, alsook alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten;
- bij de uitoefening van hun ambt de bijstand van de lokale of federale politie vorderen.
§ 5. De burgemeesters, met uitzondering van de burgemeesters van gemeenten van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, en de krachtens artikel 40 aangeduide ambtenaren kunnen de gehele of gedeeltelijke stillegging of sluiting bevelen van de plaats, ruimte, inrichting of installatie die de oorzaak kan zijn van de besmetting, wanneer zij vaststellen dat de opgelegde maatregelen niet nageleefd worden, wanneer de bevelen of aanmaningen, bedoeld in § 1, niet opgevolgd worden of wanneer er een dreigend of ernstig gevaar bestaat voor de volksgezondheid.
§ 6. Als niet onmiddellijk gevolg wordt gegeven aan de maatregelen, bedoeld in artikel 39, § 2, en de aanmaningen en bevelen, bedoeld in § 5, kunnen de krachtens artikel 40 aangeduide ambtenaren of de burgemeesters, bedoeld in § 5, de nodige maatregelen ambtshalve uitvoeren of doen uitvoeren.
§ 7. Alle maatregelen, bevelen, stilleggingen of sluitingen, bedoeld in § 1, § 5 en § 6, moeten gemotiveerd worden.

Art. 42.
De gemeentelijke en provinciale overheden, met uitzondering van de gemeenten van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, moeten hun medewerking verlenen aan de uitvoering van artikelen 39 en 40.

Art. 43.
§ 1. Om bepaalde infecties te voorkomen, stelt de Vlaamse regering een vaccinatieschema op dat de aanbevolen vaccinaties weergeeft voor de bevolking, en informeert ze de vaccinatoren en de bevolking hierover.
§ 2. De Vlaamse regering neemt initiatieven om de vaccinatiegraad van de bevolking zo hoog mogelijk te maken.
§ 3. De vaccinatoren moeten meewerken aan een door de Vlaamse regering te bepalen registratiesysteem.
§ 4. De Vlaamse regering kan bepalen in welke omstandigheden andere vaccins of andere vaccinatietijdstippen worden aanbevolen dan die aangegeven worden in het vaccinatieschema, bedoeld in § 1.

Onderafdeling II Initiatieven om uitbreiding van schadelijke effecten, veroorzaakt door biotische factoren, tegen te gaan

Art. 44.
§ 1. De Vlaamse regering beoogt uitbreiding van schadelijke effecten, veroorzaakt door biotische factoren, tegen te gaan bij de mens.
§ 2. Ze kan, met betrekking tot biotische factoren die een potentieel gevaar vormen voor de volksgezondheid, initiatieven nemen om een verspreiding van infecties tegen te gaan.
§ 3. In elk geval neemt de Vlaamse regering het initiatief :
1° tot het bepalen van de door biotische factoren veroorzaakte infecties die gemeld moeten worden om maatregelen te kunnen nemen om uitbreiding van infecties tegen te gaan;
2° tot aanduiding van de ambtenaren-artsen die bevoegd zijn tot het nemen van maatregelen om uitbreiding van infecties tegen te gaan, onder voorbehoud van de verantwoordelijkheden van partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking en individuele zorgaanbieders;
3° tot aanduiding van de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van artikel 44, § 2 en § 3, 2°, artikel 45, § 3, artikel 47 en artikel 48, onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie.

Art. 45.
§ 1. De Vlaamse regering bepaalt, na advies van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, de procedure van melding, de inhoud en de vorm van de melding, alsook de wijze van verwerking van de melding.
In principe is de melding, bedoeld in het eerste lid, naamloos. Met het oog op de uitvoering van artikel 44, § 2, bepaalt de Vlaamse regering, na advies van de Commissie van de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, de omstandigheden waarin, de identiteit moet worden meegedeeld.
§ 2. De gemelde gegevens worden aangewend met het oog op het nemen van initiatieven, als bedoeld in artikel 44, § 2, en in het bijzonder met het oog op het nemen van de maatregelen, als bedoeld in artikel 44, § 3, 2°.
Deze gegevens kunnen ook worden verwerkt voor statistische of beleidsondersteunende doeleinden voorzover de identiteit van de betrokkenen niet achterhaald kan worden.
Deze gegevens worden voor geen andere doeleinden gebruikt dan voor die welke vermeld zijn in het eerste en tweede lid.
§ 3. De verplichting tot melding geldt voor de behandelende arts, het hoofd van een laboratorium van klinische biologie en de arts, belast met het medisch toezicht in scholen, bedrijven, voorzieningen waar kinderen en jongeren verblijven, rust- en verzorgingstehuizen en rustoorden voor bejaarden.

Art. 46.
De ambtenaren-artsen en de ambtenaren, bedoeld in artikel 44, § 3, 2° en 3° :
1° nemen, zo nodig, contact op met andere binnenlandse, buitenlandse of internationale terzake bevoegde gezondheidsautoriteiten om de verspreiding van infecties tegen te gaan;
2° hebben, binnen de perken van hun opdracht en voorzover dat noodzakelijk wordt geacht, van vijf uur 's morgens tot negen uur 's avonds vrije toegang tot alle plaatsen en ruimten waar een mogelijke besmettingsbron werd vastgesteld of wordt vermoed van een besmettelijke ziekte die een bijzonder gevaar vormt voor de volksgezondheid. Tussen negen uur 's avonds en vijf uur 's morgens is deze toegang beperkt tot collectieve inrichtingen waar personen overnachten.
3° mogen binnen de perken van hun opdracht en voorzover dat noodzakelijk wordt geacht :
a) elk onderzoek, elke controle en elke enquête instellen, alsook alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen dat de decreets- en reglementsbepalingen worden nageleefd;
b) bij de uitoefening van hun ambt de bijstand van de lokale of federale politie vorderen.

Art. 47.
§ 1. De ambtenaren-artsen, bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, kunnen :
1° personen die aangetast zijn door een dergelijke infectie en die een bijzonder gevaar van besmetting vormen voor andere personen, verplichten een gepaste medische behandeling te volgen om die besmettelijkheid te bestrijden en/of het bevel geven tot tijdelijke afzondering van deze personen in een door de ambtenaren-artsen bepaalde ziekenhuisafdeling. Die verplichte afzondering verloopt zodra de patiënt niet meer besmettelijk is;
2° personen die, na contact met een geïnfecteerde persoon of na contact met een andere besmettingsbron, mogelijk besmet zijn, en die door contacten met anderen, al dan niet bij de uitoefening van hun beroepsactiviteit, deze infectie kunnen overdragen, onderwerpen aan medisch onderzoek dat nodig is voor de opsporing van besmettingsbronnen;
3° personen die besmet blijken en de infectie kunnen overdragen, de contacten met anderen, al dan niet bij de uitoefening van hun beroepsactiviteit, verbieden zolang zij hierdoor een bijzonder gevaar betekenen voor de volksgezondheid;
4° de nodige ruimten in ziekenhuizen opeisen voor de opname en de afzondering van personen die besmet zijn of bij wie een ernstige besmetting wordt vermoed;
5° de ontsmetting bevelen van voorwerpen en lokalen die besmet zijn;
6° de behandeling, de afzondering of het doden bevelen van dieren die een besmettingsgevaar betekenen voor de mens, met uitzondering van het besmettingsgevaar door consumptie van deze dieren.
§ 2. De maatregelen, bedoeld in § 1, 1° en 3°, kunnen enkel uitgevoerd worden nadat de betrokken ambtenaar-arts overleg heeft gepleegd met de behandelende artsen.
§ 3. De ambtenaar-arts, die de maatregelen, bedoeld in § 1, 1° en 3°, genomen heeft, deelt aan de betrokkene schriftelijk minstens de volgende gegevens mee :
1° de inhoud van de maatregel;
2° de motivering van de maatregel;
3° de naam, functie en standplaats van de betrokken ambtenaar-arts;
4° de vermelding van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen;
5° de beroepsprocedure;
6° de wijze van evaluatie van de genomen maatregel, de duur ervan, alsook de wijze van een eventuele aanpassing van de maatregel.
De elementen, bedoeld in 1°, 2° en 5°, worden aan de betrokkene ook mondeling toegelicht.

Art. 48.
Iedere betrokkene heeft de plicht de aangeduide ambtenaren-artsen, bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, en de aangeduide ambtenaren, bedoeld in artikel 44, § 3, 3°, de aanvullende informatie mee te delen die ze noodzakelijk achten voor het nemen van de aan de situatie aangepaste maatregelen.

Art. 49.
§ 1. Als de verplichtingen, vermeld in artikel 45, § 3, artikel 47, § 1, en artikel 48 niet worden nageleefd, zijn de aangeduide ambtenaren die met het toezicht belast zijn, bevoegd om een proces-verbaal op te stellen. Hun processen-verbaal hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is. Een afschrift van hun proces-verbaal wordt de betrokkene binnen vijf werkdagen aangetekend toegestuurd.
§ 2. Ten aanzien van natuurlijke personen zie zich bevinden op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, zijn de artikelen 46 tot en met 49, § 1, enkel van toepassing op deze personen die vrijwillig beroep hebben gedaan op een voorziening die wegens haar organisatie beschouwd moet worden als uitsluitend ressorterend onder de bevoegdheid van Vlaamse Gemeenschap.

Art. 50.
De individuele zorgaanbieder heeft de plicht tegenover de besmette persoon die hij behandelt, om hem in te lichten over de ziekte of infectie, de potentiële gevaren en de besmettingsgraad voor de omgeving. Dat stelt de besmette persoon in staat zijn verantwoordelijkheid, bedoeld in artikel 8, op te nemen.
Ten aanzien van de individuele zorgaanbieder in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, geldt deze verplichting enkel voor die zorgaanbieder die op vrijwillige basis is toegetreden tot een verband dat zelf georganiseerd is op een zodanige wijze dat blijk gegeven wordt van een band met de Vlaamse Gemeenschap.

Afdeling II. - Initiatieven met betrekking tot fysische of chemische factoren

Art. 51.
De Vlaamse regering kan initiatieven nemen voor de preventie van aandoeningen, veroorzaakt door fysische of chemische factoren. Die factoren situeren zich zowel binnen gebouwen als er buiten.

Art. 52.
§ 1. De Vlaamse regering richt zich in haar beleid op een duurzame ontwikkeling, en kan daartoe, na bespreking in het Vlaams Parlement, streefwaarden vastleggen in water, lucht, bodem, of mens.
§ 2. De Vlaamse regering legt, na bespreking in het Vlaams Parlement over de maatschappelijke aanvaardbaarheid van gezondheidsschade door fysische en chemische factoren, de grenswaarden in de mens vast.

Art. 53.
§ 1. Afgezien van de maatregelen die bepaald zijn in de bestaande milieuwetgeving, kan de Vlaamse regering de bevolking, en in het bijzonder risicogroepen, informeren, en maatregelen nemen om de blootstelling te beperken en de volksgezondheid te beschermen bij overschrijding van de door de Vlaamse regering bepaalde grenswaarden in de mens van factoren waarvan de schadelijke invloed op de gezondheid bewezen is of waarschijnlijk is op basis van wetenschappelijk onderbouwde gegevens.
§ 2. Voor de waarschijnlijke maar niet bewezen effecten, bedoeld in § 1, worden de maatregelen afgewogen tegen onder meer de waarschijnlijkheid van optreden van de vermoede effecten, de ernst van de verwachte effecten, de grootte van de blootgestelde populatie en de verwachte maatschappelijke impact van de effecten en/of maatregelen.

Art. 54.
§ 1. De Vlaamse regering kan een netwerk oprichten voor de bewaking van de in de mens gemeten blootstelling en/of voor de bewaking van de effecten van fysische en chemische factoren op de bevolking, met de bedoeling maatregelen te kunnen nemen om de volksgezondheid te beschermen.
§ 2. De Vlaamse regering neemt minstens maatregelen voor de ontwikkeling en uitvoering van een programma voor biomonitoring.
§ 3. Ter uitvoering van § 1, kan de Vlaamse regering een fonds oprichten en bepaalt ze de werking en de omvang en de wijze van financiering ervan. Hiertoe kan een verplichte financiële bijdrage opgelegd worden ten laste van bedrijven en/of burgers die medeverantwoordelijk zijn voor de aanwezigheid van fysische of chemische factoren die schadelijk zijn voor de gezondheid.

Art. 55.
De Vlaamse regering neemt initiatieven die, met betrekking tot de fysische of chemische factoren, een facettenbeleid vergemakkelijken of mogelijk maken, en dit minstens met betrekking tot verzorgingsvoorzieningen, waterrecreatie, mobiliteit en huisvesting.

Afdeling III. - Initiatieven met betrekking tot ruimtelijke en materiële factoren

Art. 56.
De Vlaamse regering kan, in het kader van haar facettenbeleid, initiatieven nemen met betrekking tot materiële en ruimtelijke factoren. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op :
1° het plannen of inrichten van de materiële en ruimtelijke omgeving om de levenskwaliteit te bevorderen en/of schade aan de gezondheid te voorkomen;
2° het opsporen van materiële en ruimtelijke factoren die een bedreiging vormen voor de gezondheid.

HOOFDSTUK II. - Initiatieven met betrekking tot leefstijlfactoren

Art. 57.
De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het bevorderen van lichaamsbeweging die bijdraagt tot de gezondheid. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op :
1° het aanzetten tot gezonde vormen van lichaamsbeweging om bewegingsarmoede te bestrijden en/of om letsels of andere vormen van gezondheidsschade te voorkomen;
2° het opsporen van bedreigingen voor de gezondheid door gebrek aan lichaamsbeweging of door ongezonde vormen van lichaamsbeweging.
Art. 58. De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het bevorderen van gezonde eetgewoonten. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op :
1° het aanzetten tot gezonde eetgewoonten om een normale ontwikkeling en een normaal functioneren van de persoon toe te laten en/of gezondheidsschade te voorkomen;
2° het opsporen van bedreigingen voor de gezondheid, te wijten aan ongezonde eetgewoonten.

Art. 59.
De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het voorkomen van ongevallen. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op het aanzetten tot veilig gedrag, zowel in de publieke als in de private sfeer.

Art. 60.
De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het bevorderen van een gezond gebit. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op :
1° het aanzetten tot een goede gebitsverzorging;
2° het opsporen van bedreigingen voor een gezond gebit.

Art. 61.
De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het bevorderen van de seksuele gezondheid. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op :
1° het aanzetten tot een huidig of toekomstig gezond seksueel gedrag;
2° het opsporen van bedreigingen voor de gezondheid door seksueel gedrag.

Art. 62.
De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het bevorderen van een adequate stresshantering. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op het voorkomen of beperken van stress en/of het beter leren omgaan ermee.

Art. 63.
De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het voorkomen of beperken van gezondheidsschade door middelengebruik en gokken. Die initiatieven hebben onder meer betrekking hebben op :
1° het voorkomen van problematisch middelengebruik of problematisch gokken;
2° het opsporen van problematisch middelengebruik of problematisch gokken.

HOOFDSTUK III. - Initiatieven met betrekking tot de sociale omgevingsfactoren

Art. 64.
De Vlaamse regering kan initiatieven nemen om een gezondheidsbevorderende sociale omgeving te ondersteunen en om bedreigende factoren in de sociale omgeving tegen te gaan. Die initiatieven kunnen betrekking hebben op :
1° de schoolomgeving;
2° de werkomgeving;
3° de leefomgeving.

Vorige paginaTop van paginaEerste pagina Volgende pagina