| ||||
U bent hier > Overzicht regelgeving jongeren > basisregelgeving jongeren
HOOFDSTUK I: ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK II: DE COMITES VOOR BIJZONDERE JEUGDZORG
HOOFDSTUK III: BEMIDDELING INZAKE BIJZONDERE JEUGDBIJSTAND
HOOFDSTUK IV: DE GERECHTELIJKE JEUGDBIJSTAND
HOOFDSTUK V: VOORTZETTING VAN DE HULPVERLENING BIJ MEERDERJARIGHEID OP ACHTTIEN JAAR
HOOFDSTUK VI: ERKENNING EN SUBSIDIERING
HOOFDSTUK VIbis GEMEENSCHAPSINSTELLINGEN VOOR BIJZONDERE JEUGDBIJSTAND.
HOOFDSTUK VII: DE SOCIALE DIENSTEN
HOOFDSTUK VIII: DIVERSE BEPALINGEN
HOOFDSTUK IX: OVERGANGSBEPALING
Art. 1.
Zijn gecoördineerd overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde tekst:
1° het decreet van 27 juni 1985 inzake bijzondere jeugdbijstand;
2° het decreet van 4 juni 1986 houdende aanvulling van het decreet van 27 juni 1985 inzake bijzondere jeugdbijstand;
3° het decreet van 28 maart 1990 tot wijziging van het decreet van 27 juni 1985 inzake bijzondere jeugdbijstand.
Art. 2.
Dit besluit treedt in werking op 1 mei 1990.
Art. 3.
De [Vlaamse minister] 2 van Welzijn en Gezin is belast met de uitvoering van dit besluit.
DECRETEN INZAKE BIJZONDERE JEUGDBIJSTAND, GECOÖRDINEERD OP 4 APRIL 19903
HOOFDSTUK I: ALGEMENE BEPALINGEN
Art. 1.
Deze gecoördineerde decreten regelen een aangelegenheid bedoeld in artikel 59bis van de Grondwet.
Art. 2.
Voor de toepassing van deze gecoördineerde decreten wordt verstaan onder:
a) problematische opvoedingssituatie: een toestand waarin de fysieke integriteit, de affectieve, morele, intellectuele of sociale ontplooiingskansen van minderjarigen in het gedrang komen, door bijzondere gebeurtenissen, door relationele conflicten, of door de omstandigheden waarin zij leven;
b) voorzieningen: initiatieven die hulp- en dienstverlening organiseren voor minderjarigen en gezinnen;
c) erkende voorzieningen: voorzieningen die in het kader van deze gecoördineerde decreten erkend zijn door de Vlaamse Gemeenschap of door haar worden georganiseerd;
d) centra of diensten: voorzieningen die zich hoofdzakelijk met ambulante of semi-residentiële hulpverlening inlaten, of die begeleiding verzekeren aan natuurlijke personen die minderjarigen opvangen;
e) projecten: bijzondere initiatieven met een tijdelijk karakter, die zich richten tot een specifieke doelgroep of op een bijzondere probleemsituatie;
f) inrichtingen: voorzieningen die zich hoofdzakelijk met residentiële opvang of met hulpverlening in residentieel verband inlaten;
g) de regering: de Vlaamse Regering;
h) voorbereidende rechtspleging: de fase van de rechtspleging die voorafgaat aan de vordering van het openbaar ministerie tot het nemen van een maatregel ten gronde.
1 Gewijzigd bij:
Decr. 21.XII.1990 (B.S. 29.XII.1990),
Arbh. nr. 40/91 19.XII.1991 (B.S. 17.I.1992),
Decr. 25.VI.1992 (B.S. 11.VII.1992),
Decr. 4.V.1994 (B.S. 23.VI.1994)
Decr. 15.VII.1997 (B.S. 17.IX.1997),
Decr.7.V.2004(B.S. 4.VI.2004), inw. 1.I.2007(zie B.Vl.Reg.8.XII.2006, B.S.25.I.2007), art.1.
Decr.7.V.2004(B.S.14.VII.2004),inw.14.I.2005,
Decr.13.VII.2007(B.S.14.VIII.2007), inw.1.VIII.2007.
2 De woorden Executieve, Gemeenschapexecutieve, Gemeenschapsminister, en hun meervoudsvorm in dit besluit werden vervangen door de woorden regering, Gemeenschapsregering, Vlaamse minister, of hun meervoudsvorm bij B.Vl.Reg. 19.I.1994 (B.S. 15.II.1994), art. 2.
3 De volgende bepalingen van de decreten inzake bijzondere jeugdbijstand, gecoördineerd op 4 april 1990, treden in werking op 27.IX.1994:
1° de artikelen 22, 23, 24, 25, 26, 27 en 29;
2° artikel 40, § 2, tweede lid [B.Vl.Reg. 20.VII.1994 (B.S. 17.IX.1994), art. 2 en 4].