| ||||
basisregelgeving jongeren> Private voorzieningen > Erkennings- en subsidiëringsnormen
HOOFDSTUK I: Algemene Bepalingen
HOOFDSTUK II Erkenningsvoorwaarden
Afdeling 1. - Algemene erkenningsvoorwaarden
Afdeling 2. - Bijzondere erkenningsvoorwaarden per categorie
van voorziening
Onderafdeling A. - Begeleidingstehuizen
Onderafdeling B. - Gezinstehuizen
Onderafdeling C. - Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra
Onderafdeling D. - Dagcentra
Onderafdeling E. - Thuisbegeleidingsdiensten
Onderafdeling F. - Diensten voor begeleid zelfstandig
wonen
Onderafdeling G. - Diensten voor pleegzorg
Afdeling 3. - Bijzondere erkenningsvoorwaarden voor
de begeleidings- en de gezinstehuizen die minderjarigen willen begeleiden die
zelfstandig wonen
HOOFDSTUK III: Erkenningsprocedure en toezicht op de naleving
van de erkenningsvoorwaarden
Afdeling 1. - Procedure voor het verlenen of het verlengen
van een erkenning van een voorziening
Afdeling 2. - Procedure voor het wijzigen van een erkenning
van een voorziening
Afdeling 3. - Procedure voor het intrekken van een erkenning
van een voorziening
Afdeling 4. - Toezicht op de naleving van de erkenningsvoorwaarden
HOOFDSTUK IV: Subsidiering van de voorzieningen
Afdeling 1: Algemene bepalingen
Afdeling 2: Subsidies voor personeelskosten
Afdeling 3: Subsidies voor het verblijf van de minderjarigen
Afdeling 4: Subsidies voor de werking en de infrastructuur
Afdeling 5: Subsidies voor bijzondere kosten
Afdeling 6: Bijzondere bepalingen
Afdeling 7: Vaststelling, vereffening en financiële controle
op het aanwenden van de subsidies
HOOFDSTUK V: Niet-erkende voorzieningen en projecten
HOOFDSTUK VI: Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° de gecoördineerde decreten: de decreten inzake bijzondere jeugdbijstand, gecoördineerd
op 4 april 1990;
2° de hulp- en bijstandsregeling: het geheel van de wetten die een aangelegenheid regelen bedoeld in artikel 5, § 1, II, 6°, d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en de gecoördineerde decreten;
3° een minderjarige: een persoon beneden de leeftijd van achttien jaar aan wie
bij beslissing van de verwijzende instantie, bedoeld in 7°, hulp wordt verleend
overeenkomstig de hulp- en bijstandsregeling.
Wordt met een minderjarige gelijkgesteld:
a) een persoon beneden de leeftijd van achttien jaar bedoeld in de punten 1° en
2° van artikel 6;
b) een persoon die de maximumleeftijden als bedoeld in artikel 30, § 2 van de gecoördineerde
decreten niet heeft overschreden en aan wie na het bereiken van de leeftijd van
achttien jaar nog hulp wordt verleend overeenkomstig de hulp- en bijstandsregeling;
4° de Vlaamse minister: het lid van de Vlaamse Regering bevoegd voor de bijstand aan personen;
5° [de administratie: het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn of het intern verzelfstandigd agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin]2;
[6° het fonds: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Fonds Jongerenwelzijn]3
7° de verwijzende instantie: naar gelang het geval, het comité bedoeld in 8° of de jeugdrechtbank;
8° het comité: het comité voor bijzondere jeugdzorg, bedoeld in artikel 3 van de gecoördineerde decreten;
9° de sociale dienst: hetzij de sociale dienst voor bijzondere jeugdbijstand, bedoeld in artikel 40, § 1 van de gecoördineerde decreten, indien tot de hulpverlening werd beslist door het comité, hetzij de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank, bedoeld in artikel 40, § 2 van de gecoördineerde decreten, indien tot de hulpverlening werd beslist door de jeugdrechtbank;
10° het hulpverleningsprogramma: het programma opgemaakt door de sociale dienst bedoeld in 9°, volgens hetwelk de hulpverlening in het kader van de hulp- en bijstandsregeling dient te verlopen;
11° een inrichtende macht: een rechtspersoon die geen materiële winst nastreeft en onder wiens verantwoordelijkheid een erkende voorziening functioneert;
12° erkende voorzieningen: voorzieningen die overeenkomstig de bepalingen van dit besluit zijn erkend;
13° een afdeling: een gedeelte van een voorziening dat qua vestigingsplaats, organisatie, materiële infrastructuur of pedagogisch beleid verschilt van een ander gedeelte van de voorziening;
14° de capaciteit: het aantal minderjarigen, dat een erkende voorziening mag opnemen of begeleiden, zoals bij besluit bepaald door de Vlaamse minister;
15° het handelingsplan: het plan volgens hetwelk de hulpverlening door een erkende voorziening dient te verlopen;
16° de betrokken partijen: de minderjarige, de personen die over hem of haar het ouderlijk gezag uitoefenen of hem of haar onder hun bewaring hebben, de consulent van de sociale dienst en degenen die in het kader van de hulp- en bijstandsregeling eveneens bij de hulpverlening zijn betrokken;
17° een pleeggezin: een persoon die of een gezin dat minderjarigen opneemt;
18° dienstanciënniteit: de anciënniteit berekend op basis van de werkelijke diensten die zonder vrijwillige onderbreking werden verricht in de sector bijzondere jeugdbijstand, de gehandicaptenzorg, Kind en Gezin en het algemeen welzijnswerk;
19° geldelijke anciënniteit: de anciënniteit bedoeld in artikel 35, die in aanmerking komt voor het vaststellen van de personeelskosten;
20° het besluit van 15 december 1993: het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 houdende de subsidiëring van de personeelskosten in bepaalde voorzieningen van de welzijnssector;
21°4 de adviserende beroepscommissie : de commissie, bedoeld in artikel 13 van het decreet van 15 juli 1997 houdende oprichting van een Gezins- en Welzijnsraad en van een adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden.
[22° het kwaliteitsdecreet : het decreet van 29 april 1997 inzake de kwaliteitszorg in de welzijnsvoorzieningen;
23° het kwaliteitshandboek : het document, bedoeld in artikel 2, 15°, van het kwaliteitsdecreet;
24° het kwaliteitsbeleid : het beleid, bedoeld in artikel 2, 8°, van het kwaliteitsdecreet;
25° het kwaliteitssysteem : het systeem, bedoeld in artikel 2, 10°, van het kwaliteitsdecreet;
26° de kwaliteitsplanning : de activiteiten, bedoeld in artikel 2, 11°, van het kwaliteitsdecreet;
27° de gebruiker: een natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 2, 5° van het kwaliteitsdecreet] 5
[28° zware beroepen: tewerkstelling van begeleidend personeel, met toepassing van bijlage 2, gevoegd bij dit besluit, in een erkende voorziening van de categorieën 1, 2 of 3, zoals bedoeld in artikel 3] 6;
[29°. de loonmassa: de uitgaven inzake personeel die met toepassing van dit besluit
werden gedaan met uitsluiting van de uitgaven bedoeld in artikel 32 §§ 2, 3 en 4]
7;
[Tot aan de inwerkingtreding van het decreet van 7 mei 2004 tot omvorming van het
“Fonds Bijzondere Jeugdbijstand” tot het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid
“Fonds Jongerenwelzijn” en tot wijziging van de decreten inzake bijzondere jeugdbijstand,
gecoördineerd op 4 april 1990, wordt onder het fonds, vermeld in het eerste lid,
6°, verstaan: het Fonds Bijzondere Jeugdbijstand]8;
[30° de administrateur-generaal: het personeelslid dat belast is met de leiding van het agentschap Jongerenwelzijn en van het agentschap Fonds Jongerenwelzijn]9.
[…]10
[De maximum capaciteit die eenzelfde inrichtende macht kan laten erkennen bedraagt honderd vierenzeventig ]11 .
§ 1. De erkende voorzieningen worden ingedeeld in de hiernavolgende categorieën:
Categorie 1: begeleidingstehuizen.
Categorie 2: gezinstehuizen.
Categorie 3: onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra.
Categorie 4: dagcentra.
Categorie 5: thuisbegeleidingsdiensten.
Categorie 6: diensten voor begeleid zelfstandig wonen.
Categorie 7: diensten voor pleegzorg.
§ 2. Een zelfde inrichtende macht kan voorzieningen laten erkennen van de in § 1 genoemde categorieën 1, 2, [3,]12 4, 5 en 6. De inrichtende macht van een voorziening van categorie [...]13 7 kan geen voorziening van één van de andere in § 1 genoemde categorieën laten erkennen.
§ 3. De voorzieningen van de categoriëen 1 en 2 kunnen een bijkomende erkenning krijgen om na hun residentiële opname minderjarigen te begeleiden die zelfstandig wonen.
Begeleidingstehuizen zijn inrichtingen die in residentieel verband uitsluitend minderjarigen opnemen.
Gezinstehuizen zijn inrichtingen die in gezinsverband voornamelijk minderjarigen opnemen.
Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra zijn inrichtingen die voor het ene
gedeelte van hun totale capaciteit uitsluitend minderjarigen dienen op te nemen
voor observatie en voor het andere gedeelte van hun capaciteit, voorlopig en voor
een korte termijn, op alle uren van de dag en de nacht, uitsluitend:
1° personen beneden de leeftijd van achttien jaar dienen op te nemen die door de
politionele overheden niet kunnen worden teruggebracht bij de personen die hen onder
hun bewaring hebben, noch onmiddellijk voor het parket kunnen worden gebracht;
2° personen beneden de leeftijd van achttien jaar dienen op te nemen die niet onmiddellijk
door het parket naar de jeugdrechtbank kunnen worden verwezen;
3° minderjarigen dienen op te nemen voor wie naar gepaste hulp en bijstand wordt
gezocht.
Dagcentra zijn centra die uitsluitend minderjarigen opnemen tijdens bepaalde uren van de dag en de gezinnen waartoe ze behoren ambulant begeleiden.
Thuisbegeleidingsdiensten zijn diensten die uitsluitend minderjarigen en de gezinnen waartoe ze behoren ambulant begeleiden.
Diensten voor begeleid zelfstandig wonen zijn diensten die minderjarigen die zelfstandig wonen ambulant begeleiden.
Diensten voor pleegzorg zijn diensten die de plaatsing van minderjarigen in pleeggezinnen organiseren.
Om erkend te worden en te blijven moeten de voorzieningen aan de volgende algemene
erkenningsvoorwaarden voldoen :
1° behalve wat de voorzieningen van de categorieën 2, 6 en 7 betreft, mogen uitsluitend
minderjarigen worden opgenomen of begeleid;
2° de voorziening mag geen minderjarigen opnemen of begeleiden boven haar totaal erkende capaciteit, tenzij mits voorafgaande toestemming van de Vlaamse minister. De verwijzende instantie dient daartoe per betrokken minderjarige een gemotiveerde aanvraag in te dienen bij de administratie. De Vlaamse minister kan toestemming verlenen wanneer ingevolge de individuele situatie van de minderjarige een opname in of een begeleiding door de voorziening, pedagogisch wenselijk is en voor zover de materiële mogelijkheden van de voorziening een opname of begeleiding toelaten. De toestemming geeft geen aanspraak op de toepassing van extra personeelsnormen;
3° de voorziening mag geen minderjarigen opnemen of begeleiden, waarvan de leeftijd niet in overeenstemming is met de leeftijdscategorie waarvoor ze is erkend, tenzij mits voorafgaande toestemming van de Vlaamse minister. De verwijzende instantie dient daartoe per betrokken minderjarige een gemotiveerde aanvraag in te dienen bij de administratie. De Vlaamse minister kan toestemming verlenen wanneer ingevolge de individuele situatie van de minderjarige een opname in of een begeleiding door de voorziening, pedagogisch wenselijk is en voor zover de materiële mogelijkheden van de voorziening een opname of begeleiding toelaten. De toestemming geeft geen aanspraak op de toepassing van extra personeelsnormen;
4° de personeelsleden en de andere personen die in de voorziening verblijven moeten van goed zedelijk gedrag zijn en hun gezondheidstoestand mag geen gevaar inhouden voor de minderjarigen met wie ze in contact komen;
5° de personeelsleden mogen niet jonger zijn dan achttien en niet ouder dan vijfenzestig jaar;
6° de gegevens betreffende het personeel en de eventuele wijzigingen ervan moeten telkens en onverwijld aan de administratie worden medegedeeld;
7° de voorziening moet op basis van de gegevens waarover ze beschikt, binnen vijfenveertig dagen, te rekenen vanaf de opname van de minderjarige in de voorziening of vanaf de begeleiding, een handelingsplan opmaken met de betrokken partijen;
8° het handelingsplan, dat de leidraad vormt voor het pedagogisch handelen door
de voorziening, bevat minstens de volgende delen :
a) de identiteit van de minderjarige en van de andere, bij de hulpverlening betrokken
partijen;
b) de tussentijdse en concrete doelstellingen, ter uitvoering van de algemene doelstellingen,
geformuleerd in het hulpverleningsprogramma van de verwijzende instantie;
c) de aandachtspunten en de klemtonen die in de hulpverlening gelegd moeten worden
en waarbij de minderjarige, het gezin, de school, het werkmilieu en het bredere
sociale netwerk worden betrokken;
d) de middelen en de werkwijzen die individueel aangewend moeten worden om de doelstellingen,
gelet op de aandachtspunten en klemtonen, te realiseren;
e) afspraken betreffende de bezoekregeling, de briefwisseling en het opvoedingsregime,
rekening houdend met hetgeen eventueel door de verwijzende instantie werd beslist;
f) de taakverdeling en de samenwerkingsafspraken tussen de betrokken partijen;
9° een kopie van het handelingsplan moet onverwijld worden opgestuurd aan het comité of aan de jeugdrechtbank en de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij die rechtbank;
10° het handelingsplan kan binnen de voorziening, na evaluatie en samenspraak met de betrokken partijen, worden bijgestuurd. Deze bijsturing wordt schriftelijk vastgelegd. Hetgeen bepaald is in 9° is van overeenkomstige toepassing;
11° met uitzondering van de onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra sturen de erkende voorzieningen om de zes maanden een evolutieverslag naar het comité of naar de jeugdrechtbank en de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij die rechtbank;
12° de minderjarigen moeten de gelegenheid hebben om zich moreel te verdiepen en hun eventuele godsdienst te beoefenen volgens de voorschriften en de verplichtingen ervan;
13° sancties moeten aan de persoonlijkheid van de minderjarige worden aangepast. Ze moeten altijd de opvoeding bevorderen en mogen geen traumatische uitwerking hebben. Lichamelijke straffen en geestelijk geweld, alsook onthouding van maaltijden, zijn verboden;
14° het dossier dat met inachtneming van artikel 11bis, 16°, wordt aangelegd,
bevat alle nuttige gegevens voor de hulp- en dienstverlening. In dit dossier worden
minstens opgenomen :
a) inlichtingen van administratieve aard, met inbegrip van de stukken, die ter beschikking
gesteld werden door de administratie, het comité, de jeugdrechtbank en de sociale
dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij die rechtbank, inzonderheid de stukken tot
staving van de plaatsing of de begeleiding, een kopie van het hulpverleningsprogramma
en de documenten, vereist door de bepalingen van dit besluit;
b) de gegevens over de toestand van de minderjarige en het gezin waartoe hij of
zij behoort en hun mening hierover;
c) het handelingsplan, bedoeld in 7°, elke bijsturing ervan, bedoeld in 10°, en
de evolutieverslagen, bedoeld in 11°;
15° de inspectie van de administratie kan het dossier van de minderjarige uitsluitend ter plaatse inzien;
16° uiterlijk vijf jaar nadat de minderjarige meerderjarig is geworden, wordt zijn of haar dossier vernietigd;
17° naast de wettelijk verplichte verzekeringen moet een verzekering worden afgesloten
voor :
a) de burgerlijke aansprakelijkheid van de voorziening en van de personen die er
tewerkgesteld zijn of die er verblijven;
b) de burgerlijke aansprakelijkheid van elke opgenomen of begeleide minderjarige;
c) de lichamelijke schade waarvan een opgenomen of begeleide minderjarige het slachtoffer
kan zijn;
18° indien een minderjarige aan de voorziening werd toevertrouwd met toepassing
van artikel 22, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde decreten, moet de voorziening
de sociale dienst van het bevoegde comité daarvan uiterlijk de eerstvolgende werkdag
in kennis stellen.
Deze kennisgeving wordt die dag door de voorziening bij ter post aangetekende brief
bevestigd;
19° elke ernstige gebeurtenis moet onverwijld en binnen achtenveertig uur worden gemeld aan het comité of aan de jeugdrechtbank en de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij die rechtbank, evenals aan de inspectie van de administratie;
20° de voorziening moet jaarlijks vóór 1 juni bij de administratie een kwaliteitsverslag indienen over het voorbije jaar, samen met de gebruikersgegevens bedoeld in artikel 11bis, 10°, eerste lid.
Onverminderd de toepassing van het kwaliteitsdecreet moeten de voorzieningen,
om erkend te worden en te blijven, aan de volgende minimale kwaliteitseisen voldoen
:
1° de voorziening beschikt over een aangepaste en veilige infrastructuur, rekening
houdend met de specificiteit van haar aanbod en de noden van de gebruiker;
2° de voorziening stelt zich bereikbaar en beschikbaar op voor de betrokken partijen opdat zij in de hulp- en dienstverlening kunnen participeren;
3° de voorziening beschikt over een duidelijke profilering, waarvan de concretisering van haar maatschappelijke waarden elementair deel uitmaakt en ze maakt die bekend. De voorziening verstrekt, in een voor de gebruiker verstaanbare taal, de nodige informatie, inzonderheid over haar werking en haar reglementen;
4° de voorziening waarborgt het respect voor de grondrechten en de gebruikersrechten
:
a) ze regelt de toegankelijkheid tot de dossiers en de afschriften van gegevens.
Ze respecteert hierbij de vertrouwelijkheid van de gegevens;
b) ze waarborgt de inspraak van de gebruikers en het personeel in de algemene werking
van de voorziening en in de individuele hulp- en dienstverlening;
c) ze waarborgt het recht op klachten en op effectieve klachtenbehandeling. Op basis
van de klachtenanalyse formuleert ze in overleg met de gebruiker, correctieve en
preventieve maatregelen;
5° de voorziening erkent en stimuleert de eigen mogelijkheden en de maatschappelijke participatie van de gebruiker bij de hulp- en dienstverlening;
6° de voorziening respecteert de wetgeving en de rechterlijke beslissingen met betrekking tot de minderjarigen, de ouders en de voogdij;
7° de weigering van de opname of begeleiding door de voorziening moet schriftelijk beargumenteerd worden wanneer de betrokken verwijzende instantie erom verzoekt. De eenzijdige stopzetting van de hulp- en dienstverlening door de voorziening moet schriftelijk beargumenteerd worden in een brief aan de betrokken verwijzende instantie;
8° de voorziening signaleert aan de administratie de elementen die belangrijk zijn voor de goede organisatie van de hulpverlening en het bijsturen ervan, eventueel vastgesteld vanuit een regionale samenspraak;
9° de hulpverlening verloopt dynamisch en steunt op principes, methodieken en referentiekaders die wetenschappelijk gedocumenteerd kunnen worden;
10° de voorziening formuleert en operationaliseert voor haar algemene werking
de doelstellingen van haar hulp- en dienstverlening. Ze evalueert de doeltreffendheid
en de doelmatigheid ervan en stuurt die bij aan de hand van vooraf door haar bepaalde
criteria. Ze registreert de gebruikersgegevens en communiceert deze gegevens.
Per minderjarige en zijn of haar gezin en met hen en de andere betrokken partijen
formuleert de voorziening de doelstellingen van haar hulp- en dienstverlening, overeenkomstig
hetgeen in artikel 11, 8°, b) is bepaald. Ze operationaliseert die doelstellingen
en stuurt die eventueel bij overeenkomstig hetgeen in artikel 11, 10°, is bepaald.
Per minderjarige en zijn of haar gezin en met hen en de andere betrokken partijen
evalueert de voorziening de doeltreffendheid en de doelmatigheid van haar hulp-
en dienstverlening en stuurt ze eventueel bij aan de hand van vooraf door haar bepaalde
criteria;
11° de organisatiestructuur van de voorziening komt de uitvoering van een verantwoorde hulp- en dienstverlening ten goede;
12° de hulp- en dienstverlening draagt bij tot het oplossen van de problemen, zoals die geformuleerd werden door en in overleg met de minderjarige en het gezin waartoe hij of zij behoort en dit met respect voor de integriteit van alle betrokkenen en de rechten van derden;
13° het personeelsbestand van de voorziening is multidisciplinair samengesteld en voldoet aan de functie-eisen, bedoeld in bijlage 1, gevoegd bij dit besluit;
14° de deskundigheid en het functioneren van het personeel wordt bewaakt op basis van functiebeschrijvingen en van een evaluatiesysteem;
15° de voorziening waarborgt een passend vormings-, trainings- en opleidingsbeleid
voor haar personeel;
16° de hulp- en dienstverlening verloopt methodisch en planmatig, zowel voor de
algemene werking van de voorziening als voor de minderjarige en het gezin waartoe
hij of zij behoort. De voorziening legt voor elke minderjarige en eventueel voor
het gezin waartoe hij of zij behoort een dossier aan waarvan de inhoud is bepaald
in artikel 11, 14°;
17° de voorziening voert binnen de beschikbare middelen een financieel beleid
met het oog op een continue en efficiënte hulp- en dienstverlening.
Ze maakt gebruik van een boekhoudplan overeenkomstig een rekeningstelsel, bepaald
door de Vlaamse minister;
18° de voorziening betrekt in haar hulp- en dienstverlening alle interne en externe relevante personen en instanties;
19° binnen het kader van haar erkenning en binnen de opdracht van de verwijzende
instantie past de voorziening haar hulp- en dienstverlening aan de evolutie van
de individuele situatie van de gebruiker aan.
Indien wenselijk overlegt de voorziening met de verwijzende instantie over het stopzetten,
verlengen of wijzigen van de hulp- en dienstverlening;
20° om de continuïteit van de hulp- en dienstverlening te waarborgen, staat de voorziening in voor een verantwoorde informatieoverdracht met respect voor de regels inzake privacy en beroepsgeheim;
21° de voorziening staat in voor een verantwoorde afsluiting van de hulp- en dienstverlening in samenspraak met de gebruiker.
De voorziening beschikt over een kwaliteitshandboek dat is samengesteld overeenkomstig de inhoud en de structuur die bepaald zijn in bijlage 1bis, gevoegd bij dit besluit.
Het kwaliteitsbeleid van de voorziening bevat :
1° het profiel van de voorziening op grond van maatschappelijke behoeften.
Dit profiel houdt de omschrijving in van :
a) haar missie en doelstellingen;
b) haar waarden en visie op hulpverlening, zowel organisatorisch, maatschappelijk
als pedagogisch;
c) haar doelgroepen, met vermelding van de eventuele accenten hierin;
2° de minimale kwaliteitseisen, zoals bepaald in artikel 11bis.
Het kwaliteitssysteem van de voorziening bevat minimaal de omschrijving van de conditionele elementen, de procedures en de garantie voor het kwaliteitssysteem, vermeld in bijlage 1ter, gevoegd bij dit besluit.
De kwaliteitsplanning van de voorziening bevat minimaal :
1° de situering van de inhoud van de kwaliteitsplanning binnen het kwaliteitsbeleid;
2° voor elk gekozen project de beschrijving van :
a) het aandachtsgebied en de doelgroep van het project;
b) de motivering en de doelstellingen van het project;
c) het stappenplan voor het doorlopen van het project met als elementen : de deelnemers
aan het project met inbegrip van hun bevoegdheid, het tijdschema en de ingezette
middelen;
d) de wijze waarop de evaluatie van de resultaten van het project zal verlopen.
De begeleidingstehuizen moeten voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden
:
1° onverminderd de toepassing van artikel 38, § 1, is de minimumcapaciteit van een
begeleidingstehuis tien. De maximumcapaciteit van een begeleidingstehuis, eventueel
samengesteld uit afdelingen gevestigd in verscheidene lokaliteiten, is negentig;
2° een begeleidingstehuis of een afdeling ervan, dat is erkend om tot uitputting
van zijn capaciteit uitsluitend minderjarigen vanaf de leeftijd van twaalf jaar
op te nemen, heeft opnameplicht. Deze opnameplicht geldt niet voor minderjarigen
die niet vooraf werden opgenomen in een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum;
3° in een afdeling die functioneert als leefgroep mogen niet meer dan vijftien minderjarigen
worden opgenomen;
4° de voorziening, evenals elke afdeling ervan, moet bij aanwezigheid van minderjarigen
permanent onder toezicht staan van een personeelslid;
5° in overleg met de minderjarige en zijn of haar ouders zorgt de voorziening ervoor
dat een medisch dossier van de minderjarige wordt bijgehouden en beheerd door een
arts;
6° er wordt in een passende medische verzorging voorzien en medische voorschriften
worden nageleefd;
7° de voeding is evenwichtig en afwisselend;
8° de kledij van de minderjarige is verzorgd;
9° de voorziening houdt per minderjarige die eigen inkomsten heeft, een individuele
rekening bij;
10° de voorziening moet toezien op de naleving van de sociale wetgeving met betrekking
tot de minderjarige;
11° indien de voorziening op de hoogte is van het bestaan van een of meerdere spaarboekjes
op naam van de minderjarige moeten de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger
van de minderjarige en de minderjarige zelf vanaf de leeftijd van twaalf jaar, hierover
ingelicht worden.
De gezinstehuizen dienen te voldoen aan artikel 13, 4° tot en met 11°. Bovendien
moeten ze voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden :
1° onverminderd de toepassing van artikel 38, § 1, is de minimumcapaciteit van een
gezinstehuis vijf en de maximumcapaciteit tien, verminderd met het aantal eigen
kinderen;
2° het tehuis staat onder leiding van een verantwoordelijke die voldoet aan de functie-eisen
van verantwoordelijke, vermeld in bijlage 1, gevoegd bij dit besluit;
3° de verantwoordelijke van het tehuis moet er werkelijk wonen. Indien hij of zij
niet aanwezig, ziek of belet mocht zijn, moet hij of zij een geschikte persoon,
aanwijzen om hem of haar te vervangen en moet hij of zij diens volledige identiteit
meedelen aan de administratie.
De aanwezige persoon moet ten minste voldoen aan de functie-eisen van begeleidend
personeel van klasse 2B, vermeld in bijlage 1, gevoegd bij dit besluit;
4° indien een van de samenwonende partners een andere taak uitoefent, moet deze
taak verenigbaar zijn met zijn of haar taak in het tehuis.
Zijn of haar eventuele prestaties in het tehuis kunnen als een deeltijdse dagtaak
in aanmerking worden genomen voor zover het totaal van deze prestaties geen voltijdse
betrekking overtreft.
De onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra moeten voldoen aan artikel 13, 3°
tot en met 11°. Bovendien moeten zij voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden
:
1° onverminderd de toepassing van artikel 38, § 1, is de minimumcapaciteit van het
centrum acht en de maximumcapaciteit vierentwintig;
2° minstens de helft van de capaciteit van het centrum moet worden voorbehouden
voor opnamen, bedoeld in artikel 6, 1° tot en met 3°.
De Vlaamse minister kan, op gemotiveerde vraag van de inrichtende macht, een afwijking
toestaan, gelet op de specifieke werking van een centrum, erkend op de dag vóór
de inwerkingtreding van dit besluit of gelet op de vastgestelde behoefte aan capaciteit
voor observatie enerzijds en voor onthaal en oriëntatie anderzijds;
3° overeenkomstig de beslissing van de verwijzende instantie wordt een oriëntatie
en een observatie in residentieel of ambulant verband uitgevoerd;
4° het centrum staat onder leiding van een directeur die voldoet aan de functie-eisen
van directeur, vermeld in bijlage 1, gevoegd bij dit besluit;
5° een universitair gediplomeerde van de faculteit psychologische of pedagogische
wetenschappen en een gediplomeerde van het sociaal hoger onderwijs van het korte
type maken deel uit van het team dat belast is met de observatie en de oriëntatie
van de minderjarigen;
6° het centrum verwittigt de eerstkomende werkdag het bevoegde comité en binnen
vierentwintig uur de procureur des Konings van het betrokken rechtsgebied van elke
opname, bedoeld in artikel 6, 1°;
7° het centrum dat het vanuit haar pedagogisch concept noodzakelijk vindt om minderjarigen
soms tijdelijk af te zonderen of in hun vrijheid te beperken, om hun veiligheid,
de veiligheid van andere minderjarigen of die van het personeel te verzekeren, beschikt
hiertoe over een door de administratie goedgekeurd huishoudelijk reglement. In dit
reglement moeten minstens worden beschreven : de inrichting van de beveiligingskamer,
het aanleggen van een beveiligingsdossier voor elke beveiliging die zich voordoet,
de duur van de beveiligingssituatie en het toezicht op en de mogelijkheden tot contact
van de betrokken minderjarige. Dit huishoudelijk reglement wordt bij de opname bekendgemaakt
aan de betrokken partijen;
8° elke minderjarige moet na zijn of haar opname medisch worden onderzocht;
9° de oriëntatie- en observatieverslagen moeten een oriëntatievoorstel en een leidraad
voor begeleiding of behandeling bevatten. Deze verslagen moeten vóór het beëindigen
van de plaatsing worden bezorgd aan het comité of aan de jeugdrechtbank en de sociale
dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij die rechtbank. Het handelingsplan kan geïntegreerd
worden in het oriëntatie- en observatieverslag.
De dagcentra moeten voldoen aan de voorwaarden, gesteld in artikel 13, 3°, 4°,
6° en 7°. Bovendien moeten zij voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden :
1° onverminderd de toepassing van artikel 38, § 1, is de minimumcapaciteit van het
centrum tien en de maximumcapaciteit twintig;
2° de opvang van de minderjarigen in het centrum wordt minimaal verzekerd :
a) op schooldagen : tijdens de middagpauze en na schooltijd tot 19 uur;
b) op vakantiedagen : van 9 tot 17 uur;
3° er worden dagelijks twee maaltijden verstrekt, waarvan één warme maaltijd.
De thuisbegeleidingsdiensten moeten voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden
:
1° onverminderd de toepassing van artikel 38, § 1, is de minimumcapaciteit van de
dienst zestien en de maximumcapaciteit tweeëndertig;
2° de dienst mag geen begeleiding binnen zijn bestuurlijk arrondissement weigeren
om een andere reden dan de uitputting van zijn erkende capaciteit;
3° gemiddeld eenmaal per week moet er een begeleiding plaatsvinden, in principe
in het gezin waartoe de minderjarige behoort.
De diensten voor begeleid zelfstandig wonen moeten voldoen aan de volgende bijzondere
voorwaarden :
1° onverminderd de toepassing van artikel 38, § 1, is de minimumcapaciteit van de
dienst zestien en de maximumcapaciteit tweeëndertig;
2° de dienst mag geen begeleiding binnen zijn bestuurlijk arrondissement weigeren
om een andere reden dan de uitputting van zijn erkende capaciteit;
3° de voorziening begeleidt de minderjarige in het verwerven en behouden van een
eigen, passende huisvesting;
4° indien de betrokkene meerderjarig of ontvoogd is, moet hijzelf een huurcontract
afsluiten. De dienst mag, uitzonderlijk, op basis van maximaal één woning per capaciteitsschijf
van acht, eigen huisvesting ter beschikking stellen van meerderjarigen en ontvoogde
minderjarigen die hij begeleidt. De dienst mag de bedoelde eigen huisvesting ter
beschikking stellen gedurende een maximale termijn van twee maanden;
5° de minderjarigen staan zelf geheel of gedeeltelijk in voor hun onderhoud. Op
grond daarvan wordt met hen een plan opgemaakt voor het beheer van hun budget.
De diensten voor pleegzorg dienen te voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden
:
1° het minimumaantal te begeleiden minderjarigen is zesendertig;
2° de dienst zorgt voor de selectie van pleeggezinnen en laat elke plaatsing in
een pleeggezin voorafgaan door een grondige studie van de minderjarige en van het
pleeggezin. De selectie past in het hulpverleningsprogramma en houdt rekening met
de materiële en immateriële omstandigheden in het pleeggezin. De dienst zorgt voor
de begeleiding en de vorming van de pleeggezinnen;
3° de leden van het pleeggezin moeten van goed zedelijk gedrag zijn en hun gezondheidstoestand
mag geen gevaar inhouden voor de minderjarigen;
4° aan een pleeggezin mogen niet meer dan vier minderjarigen en andere personen
beneden de leeftijd van achttien jaar worden toevertrouwd, behalve :
a) wanneer allen tot eenzelfde gezin behoren;
b) wanneer het een bijkomende opname betreft van een minderjarige die reeds eerder
in het pleeggezin verbleef;
[5° de dienst garandeert in elke pleegzorgsituatie gemiddeld 7 begeleidingscontacten
per jaar met de direct betrokken actoren. De dienst zorgt ervoor dat elke actor
op voldoende wijze in de hulpverlening wordt betrokken]15;
6° de opdracht die de dienst vooropstelt ten aanzien van het oorspronkelijke milieu,
dient in het handelingsplan te worden vastgesteld;
7° de dienst betaalt de subsidies, opgenomen in artikel 39, § 1, 40 en 42, § 1 en
§ 3, regelmatig en volledig uit aan de pleeggezinnen.
De begeleidings- en de gezinstehuizen die minderjarigen willen begeleiden die
zelfstandig wonen, dienen te voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden :
1° het aantal minderjarigen waarvoor begeleid zelfstandig wonen wordt georganiseerd,
mag ten hoogste een vierde bedragen van de totaal erkende capaciteit van de voorziening.
Bovendien mogen er niet meer dan negen minderjarigen worden begeleid, behalve voor
een beperkte periode en mits de uitdrukkelijke en voorafgaande toestemming van de
Vlaamse minister;
2° artikel 18, 3° tot en met 5° zijn van overeenkomstige toepassing.
Elke inrichtende macht die minderjarigen in een voorziening wenst op te nemen of door een voorziening wenst te begeleiden, dient die voorziening vooraf te laten erkennen volgens de regels, bepaald in artikel 22 tot en met 26quater.
Een erkenning of een verlenging van een erkenning van een voorziening kan enkel
worden verleend :
1° als daartoe een ontvankelijke aanvraag wordt ingediend;
2° als aan de erkenningsvoorwaarden van dit besluit is voldaan;
3° voor zover de begrotingskredieten dat mogelijk maken.
Een aanvraag tot erkenning van een voorziening of tot verlenging ervan is alleen
ontvankelijk:
1° als de inrichtende macht die aanvraag bij de administratie indient bij aangetekende
brief met ontvangstmelding;
2° als de aanvraag past binnen de door de Vlaamse minister vastgestelde programmatienormen
genoemd in artikel 24;
3° als de aanvraag de volgende gegevens bevat :
a) de identiteit van de inrichtende macht;
b) de categorieën waarvoor de erkenning wordt gevraagd;
c) de verschillende afdelingen waaruit de voorziening zal bestaan;
d) het maximumaantal minderjarigen dat de voorziening per afdeling zal opnemen en/of
begeleiden;
e) het pedagogische profiel van elke afdeling;
f) voor de voorzieningen van de categorieën 1 tot 4 : de leeftijdscategorieën en
het geslacht van de minderjarigen voor wie de erkenning wordt gevraagd;
g) voor de voorzieningen van de categorieën 1 en 2 die minderjarigen wensen te begeleiden
die zelfstandig wonen : het maximumaantal minderjarigen dat de voorziening zal begeleiden;
h) voor de voorzieningen van categorie 1 die tot de uitputting van hun capaciteit
uitsluitend minderjarigen wensen op te nemen vanaf de leeftijd van twaalf jaar :
het maximumaantal minderjarigen en het geslacht van de minderjarigen voor wie de
erkenning wordt gevraagd.
De Vlaamse minister kan voor de categorieën 1 tot en met 6 geen erkenning verlenen
boven de totaal erkende capaciteit van [4 848]17.
De Vlaamse minister legt de verdeling van [4 848]18
eenheden over de regio's vast in een programmatie. Voor die verdeling is :
1° één plaats in een voorziening van categorie 1, 2 of 3 gelijk aan één eenheid;
2° één plaats in een voorziening van categorie 4 gelijk aan twee derden van een
eenheid;
3° één begeleiding door een voorziening van categorie 5 of 6 gelijk aan een derde
van een eenheid.
Onverminderd de bepalingen van het tweede lid kan erkende capaciteit van een voorziening
van categorie 1, 2 of 3 omgezet worden in erkende capaciteit van een voorziening
van categorie 4, 5 of 6, als die omzetting geen extra financiële lasten met zich
brengt voor de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.
§ 1. Als de aanvraag tot erkenning van een voorziening of tot verlenging ervan
niet ontvankelijk is, stuurt de administratie die aanvraag bij aangetekende brief
en uiterlijk dertig dagen na ontvangst aan de aanvragende, inrichtende macht terug.
In die brief wordt de reden van de niet-ontvankelijkheid vermeld.
§ 2. Als de aanvraag tot erkenning van een voorziening of tot verlenging ervan ontvankelijk
is, betekent de administratie in voorkomend geval het voornemen van de [administrateur-generaal]
om de erkenning of de verlenging ervan te weigeren aan de inrichtende macht.
De betekening, als bedoeld in het eerste lid, gebeurt bij aangetekende brief met
kennisgeving van ontvangst. In die brief wordt het voornemen van de [administrateur-generaal]
gemotiveerd en worden de mogelijkheid en de voorwaarden vermeld waarop een bezwaarschrift,
als bedoeld in artikel 26bis, kan worden ingediend.
§ 3. De beslissing van de [administrateur-generaal]om de erkenning of de verlenging
ervan te verlenen wordt binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag
aan de inrichtende macht betekend. Deze beslissing wordt betekend bij aangetekende
brief.
Indien de beslissing van de [administrateur-generaal] 20 bedoeld in artikel 25, § 3 niet binnen de in deze paragraaf vermelde termijn aan de inrichtende macht werd betekend, wordt ervan uitgegaan dat de erkenning van de voorziening of de verlenging van de erkenning wordt geweigerd.
§1. De inrichtende macht kan tot uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van het voornemen van de administrateur-generaal om de erkenning van de voorziening of de verlenging ervan te weigeren of, in geval van toepassing van artikel 26, na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 25, §3, een bezwaarschrift indienen. Na die termijn van dertig dagen is het bezwaarschrift niet meer ontvankelijk. De inrichtende macht richt daartoe een aangetekende brief aan de administratie met vermelding van de motieven waarom ze de weigering ongegrond acht. De administratie bezorgt het bezwaarschrift binnen vijftien dagen na de ontvangst ervan aan de adviserende beroepscommissie, samen met het volledige administratieve dossier en de eventuele verweermiddelen. Op de procedure voor de adviserende beroepscommissie zijn artikel 7 tot en met 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 1998 betreffende de adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden van toepassing.
§2. Als de inrichtende macht geen bezwaarschrift heeft ingediend in overeenstemming met §1, eerste lid, wordt de beslissing van de administrateur-generaal om de erkenning of de verlenging ervan te weigeren, aan de inrichtende macht betekend. De administratie betekent die beslissing met een aangetekende brief binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in § 1, eerste lid.
De Vlaamse minister kan aan de erkenning de voorwaarde verbinden dat de voorziening
geen minderjarigen zal opnemen of begeleiden, totdat de inrichtende macht heeft
bewezen dat de voorziening aan de erkenningsvoorwaarden voldoet.
Als de inrichtende macht binnen een termijn van achttien maanden, te rekenen vanaf
de datum van de erkenning, het bewijs niet kan leveren dat de voorziening aan de
erkenningsvoorwaarden voldoet, wordt de erkenning ambtshalve ingetrokken.
Als de Vlaamse minister[of de administrateur-generaal]22 de erkenning of de verlenging ervan weigert, kan de inrichtende macht de aanvraag niet onmiddellijk opnieuw indienen. Er moet minstens één jaar verstreken zijn sedert de betekening van de beslissing tot weigering of de inrichtende macht moet aantonen dat de reden voor de weigering niet langer bestaat.
Artikel 22 tot en met 26quater zijn van overeenkomstige toepassing voor het wijzigen van de categorie, de capaciteit, de leeftijd en het geslacht van de doelgroep, alsook voor een verhuizing van de voorziening of een afdeling ervan naar een ander bestuurlijk arrondissement.
De Vlaamse minister kan op elk ogenblik de voorwaarden van de erkenning andere dan die bedoeld in artikel 26quinquies wijzigen, nadat de inrichtende macht daartoe een aanvraag heeft ingediend.
Als een voorziening niet langer voldoet aan een of meer erkenningsvoorwaarden,
kan de administratie de inrichtende macht ertoe aanmanen zich binnen een termijn
van acht dagen tot zes maanden naar die voorwaarden te schikken.
De inrichtende macht wordt aangemaand bij aangetekende brief met kennisgeving van
ontvangst. In die brief wordt vermeld welke erkenningsvoorwaarden niet worden nageleefd.
§ 1. Als ondanks de aanmaning de voorziening de erkenningsvoorwaarden niet naleeft,
kan de Vlaamse minister zich voornemen de erkenning in te trekken. De administratie
betekent dat voornemen bij aangetekende brief met kennisgeving van ontvangst aan
de inrichtende macht. In die brief wordt het voornemen gemotiveerd en worden de
mogelijkheid en de voorwaarden vermeld waarop de inrichtende macht een bezwaarschrift
kan indienen.
§ 2. Artikel 26bis, § 1 en § 2, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing
voor het geval de Vlaamse minister definitief beslist een erkenning in te trekken.
Als de beslissing van de Vlaamse minister niet aan de inrichtende macht werd betekend
binnen de termijn, bepaald in artikel 26bis, § 2, eerste lid, blijft de voorziening
erkend.
In afwijking van artikel 26septies en 26octies kan de Vlaamse minister, na de inrichtende macht te hebben gehoord, de erkenning onmiddellijk intrekken als blijkt dat de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van minderjarigen binnen een voorziening ernstig in het gedrang komt.
Personeelsleden van de administratie oefenen ter plaatse of op stukken toezicht
uit op de naleving van de erkenningsvoorwaarden door de voorzieningen.
De voorzieningen verlenen hun medewerking aan de uitoefening van het toezicht. Ze
bezorgen aan de in het eerste lid bedoelde personeelsleden, op hun eenvoudig verzoek,
de stukken die met de erkenningsaanvraag of de erkenning verband houden.
Dit hoofdstuk bepaalt de subsidies voor opname en begeleiding die ten laste van het fonds worden uitbetaald aan de erkende voorzieningen.
Onverminderd de toepassing van artikel 37 van de gecoördineerde decreten mogen de voorzieningen die overeenkomstig dit hoofdstuk subsidies ontvangen, geen supplement vragen aan openbare instellingen of aan privé-personen om kosten te dekken waarvoor de subsidies worden toegekend.
§ 1. Onverminderd de toepassing van § 2 is de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, van toepassing op de bedragen waarvan sprake is in dit hoofdstuk. Deze bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 102,02.
§ 2. De subsidies voor lonen en wedden vallen onder de toepassing van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Deze bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 102,02.
§1. Onverminderd de toepassing van artikel 11 van het besluit van 15 december 1993 wordt de maximum personeelsbezetting die in aanmerking komt voor het subsidiëren van de personeelskosten van de erkende voorzieningen vastgesteld overeenkomstig bijlage 2 bij dit besluit.
§2. Een voorziening van de categorie 7 heeft voor de subsidiëring van de personeelskosten minimaal recht op het personeelskader dat vastgesteld is op basis van het gemiddelde aantal begeleidingen van het jaar ervoor.
§ 1. Indien een inrichtende macht meerdere voorzieningen heeft laten erkennen is de maximum personeelsbezetting die in aanmerking komt voor subsidiëring de som van de maximum personeelsbezetting die per voorziening is vastgesteld in bijlage 2 bij dit besluit.
§ 2. Onder het directiepersoneel van de voorzieningen van een zelfde inrichtende
macht kan:
1° één personeelslid, dat aan de in bijlage 1 bij dit besluit gestelde functie-eisen
voldoet, de salarisschaal worden toegekend van directeur, berekend op de totale
capaciteit die aan de inrichtende macht werd toegewezen, voor zover die totale capaciteit
minstens 25 bedraagt;
2° één personeelslid, dat aan de in bijlage 1 bij dit besluit gestelde functie-eisen
voldoet, de salarisschaal worden toegekend van onderdirecteur, voor zover de totale
capaciteit die aan de inrichtende macht werd toegewezen, minstens 76 bedraagt.
§ 3. Onder de leden van het administratief personeel van een zelfde inrichtende macht kan één personeelslid, dat aan de in bijlage 1 bij dit besluit gestelde functie-eisen voldoet, de salarisschaal van klasse 1 worden toegekend, voor zover de totale capaciteit die aan de inrichtende macht werd toegewezen, minstens 76 bedraagt.
§ 1. Voor de subsidiëring van de personeelskosten gelden de bepalingen van het besluit van 15 december 1993 en komen de uitgaven in aanmerking die bedoeld zijn in artikel 4 van voornoemd besluit voor zover die uitgaven werkelijk werden gedaan binnen de normen van dit besluit.
§ 2. Komen eveneens in aanmerking voor subsidiëring:
1° de verzekeringspremies inzake arbeidsongevallen;
2° de verzekeringspremies inzake burgerlijke aansprakelijkheid;
3° de kosten voor de arbeidsgeneeskunde;
4° de kosten voor werkkledij;
5° de tussenkomst van de werkgever in de verplaatsingskosten naar en van het werk
van de werknemer;
6° de tussenkomst van de werkgever in de syndicale premie;
[7° de kosten voor het vormings-, trainings- en opleidingsbeleid voor het personeel,
zoals bepaald in artikel 11bis, 15°]25;
8° een forfaitaire vergoeding van maximaal 961,17 fr. per dag, tot dekking van de
bijkomende, werkelijke kosten, betaald aan de personeelsleden van de voorzieningen
van de categorieën 1, 2, 3 en 4, die de minderjarigen vergezellen tijdens de vakantieverblijven.
Voor het subsidiëren van de in het vorig lid bedoelde uitgaven wordt een bedrag
vastgesteld, berekend op 3% van de in § 1 bedoelde personeelskosten. Dit percentage
kan jaarlijks door de Vlaamse minister worden aangepast in functie van de kosten
van de voorzieningen en de uitgavenkredieten van het fonds.
§ 3. Worden voor de subsidiëring eveneens als personeelskosten in aanmerking
genomen, de aanvullende vergoedingen bedoeld in:
1° artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 februari 1984 betreffende het recht
op werkloosheidsuitkeringen van bejaarde werknemers;
2° artikel 2 van het koninklijk besluit van 30 augustus 1985 houdende een nieuwe
reglementering van toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel
brugpensioen;
3° het koninklijk besluit van 20 augustus 1986 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen
in geval van conventioneel brugpensioen.
Deze aanvullende vergoedingen worden slechts in aanmerking genomen tot maximaal
het bedrag dat verkregen wordt na toepassing van de berekeningswijze die bepaald
is in de artikelen 5 en volgende van de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 december
1974, en op voorwaarde dat de betrokkene wordt vervangen door een kandidaat die
bij de aanvang van zijn of haar tewerkstelling maximaal aanspraak maakt op de wedde
van een personeelslid met een geldelijke anciënniteit van vijf jaar.
§4. Komen eveneens in aanmerking voor subsidiëring:
1° de kost voor de vervangende tewerkstelling, ingevolge vrijstelling van arbeidsprestaties
met behoud van loon voor personen met een zwaar beroep vanaf de leeftijd van vijfenveertig
jaar.
Deze subsidie wordt berekend op de loonmassa van het in het eerste lid bedoelde
personeel, volgens de hierna vermelde percentages:
- voor het jaar 2001: 0,563 %;
- voor het jaar 2002: 1,169 %;
- voor het jaar 2003: 1,773 %;
- vanaf het jaar 2004: 2,380 %.
2° de kost voor de vervangende tewerkstelling, ingevolge de bijkomende verlofdagen
met behoud van loon voor de personen vanaf de leeftijd van vijfendertig jaar tot
en met vierenveertig jaar.
Deze subsidie wordt berekend op de loonmassa volgens de hierna vermelde percentages:
- voor het jaar 2002: 0,132 %;
- voor het jaar 2003: 0,264 %;
- voor het jaar 2004: 0,396 %;
vanaf het jaar 2005: 0,740 %.
[[3° de kost voor de managementondersteuning:
a) voor het jaar 2006: 121,75 euro per voltijds personeelslid;
b) voor het jaar 2007: 150,89 euro per voltijds personeelslid;
c) voor het jaar 2008: 180,02 euro per voltijds personeelslid;
d) voor het jaar 2009: 209,16 euro per voltijds personeelslid;
e) vanaf het jaar 2010: 238,30 euro per voltijds personeelslid.
Die subsidie wordt berekend overeenkomstig de maximale personeelsbezetting die in
aanmerking komt voor het subsidiëren van de personeelskosten van de erkende voorzieningen,
vermeld in bijlage 2 bij dit besluit]26.
4° de kost voor de vorming.
Deze subsidie wordt vanaf het jaar 2002 bepaald op 92,61 euro per personeelslid,
berekend overeenkomstig de maximum personeelsbezetting die in aanmerking komt voor
het subsidiëren van de personeelskosten van de erkende voorzieningen, zoals vastgesteld
in bijlage 2 bij dit besluit]27.
[5° de kosten voor de werkdrukverlichting :
a) voor de voorzieningen, georganiseerd door private initiatiefnemers, wordt de
subsidie berekend op de loonmassa volgens de onderstaande percentages :
1) voor het jaar 2006 : 0,030 %;
2) voor het jaar 2007 : 0,060 %;
3) voor het jaar 2008 : 0,120 %;
4) voor het jaar 2009 : 0,210 %;
5) vanaf het jaar 2010 : 0,301 %.
b) voor de voorzieningen, georganiseerd door niet-private initiatiefnemers, wordt
de subsidie berekend op de loonmassa volgens de onderstaande percentages :
1) voor het jaar 2006 : 0,086 %;
2) voor het jaar 2007 : 0,172 %;
3) voor het jaar 2008 : 0,256 %;
4) voor het jaar 2009 : 0,344 %;
5) vanaf het jaar 2010 : 0,430 %.]28.
Onverminderd de toepassing van [artikel 11bis,13°]29 en met het oog op de toepassing van specifieke tewerkstellingsprogramma's van de overheid kan de Vlaamse minister met betrekking tot de gesubsidieerde personeelsleden bijkomende voorwaarden stellen inzake leeftijd, opleidingsniveau of periode van werkloosheid.
Indien een zelfde personeelslid verscheidene deeltijdse functies vervult, worden deze slechts gesubsidieerd voor maximaal de duur die met een voltijdse betrekking overeenkomt.
§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 10 van het besluit van 15 december 1993 komen, voor het bepalen van de geldelijke anciënniteit, de arbeidsdagen als bedoeld in artikel 36 in aanmerking die het personeelslid telt als werknemer in een voltijdse of deeltijdse betrekking, verworven in een voorziening erkend overeenkomstig dit besluit of in een erkende voorziening van de gehandicaptenzorg.
§ 2. Worden met de in § 1 bedoelde arbeidsdagen gelijkgesteld:
A. Voor het directie- en administratief personeel:
1° de gepresteerde arbeidsdagen in welke sector ook ter uitvoering van een overeenkomst
als bediende;
2° de gepresteerde arbeidsdagen in een administratieve functie in openbare besturen;
3° de gepresteerde arbeidsdagen in een administratieve functie in de door de overheid
ingestelde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstellingen.
B. Voor het logistiek personeel:
de gepresteerde arbeidsdagen in welke sector ook.
C. Voor het begeleidend personeel en bijzondere functies:
1° de gepresteerde arbeidsdagen ter uitvoering van een overeenkomst als bediende
in diensten en voorzieningen die behoren tot de sectoren van de culturele en de
persoonsgebonden aangelegenheden bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de bijzondere
wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
2° de gepresteerde arbeidsdagen als lid van de administraties-, het onderwijzend
of het opvoedend personeel van de door de overheid ingestelde, gesubsidieerde of
erkende onderwijsinstellingen;
3° de gepresteerde arbeidsdagen in welke sector ook als maatschappelijk assistent,
psycholoog, pedagoog, orthopedagoog, gegradueerde in de orthopedagogie, criminoloog,
agoog, opvoeder of lid van het begeleidend personeel, paramedicus of verpleger.
§ 3. De geldelijke anciënniteit wordt berekend vanaf de datum dat het personeelslid, mits het vereiste diploma te bezitten, de minimumleeftijd heeft bereikt voor de uit te oefenen functie zoals bepaald door de Vlaamse minister. Artikel 34 is van overeenkomstige toepassing voor het bepalen van de geldelijke anciënniteit.
Onder arbeidsdagen worden verstaan:
1° de arbeidsdagen zoals omschreven in artikel 24 van het koninklijk besluit van
28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de
besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° de zaterdagen, de zondagen, de vakantiedagen en de wettelijke feestdagen, evenals
de vervangingsdagen die hiervoor in de plaats komen;
3° de dagen van inactiviteit die voor het personeel van het Ministerie van de Vlaamse
Gemeenschap meegerekend worden voor de berekening van de anciënniteit.
Voor het berekenen van de subsidieerbare personeelskosten, overeenkomstig de
artikelen 32 tot en met 36, komen volgende salarissen niet in aanmerking:
1° de salarissen, betaald aan de gepensioneerde personeelsleden die krachtens de
pensioenwetgeving een niet toegelaten beroepsactiviteit uitoefenen;
2° de salarissen, betaald aan de personeelsleden die worden tewerkgesteld boven
de bezetting van de personeelsnormen vastgesteld in onderhavig hoofdstuk;
3° het gedeelte van de salarissen en van de wettelijke patronale lasten, dat de
bedragen overschrijdt zoals berekend overeenkomstig de artikelen 32 tot en met 36;
4° het gedeelte van de salarissen en van de wettelijke patronale lasten dat de bedragen
overschrijdt die ten laste komen van de openbare besturen voor een volledige dagtaak,
behoudens de prestaties verricht in het kader van het onderwijs voor sociale promotie
georganiseerd ten voordele van de personeelsleden.
§ 1. Wanneer het totaal aantal verblijfs- en/of begeleidingsdagen, geboekt tijdens
twee opeenvolgende jaren, voor elk van deze jaren geen 80 % bereikt van het aantal
per erkende voorziening te realiseren verblijfs- en/of begeleidingsdagen, wordt
de erkende capaciteit verminderd tot 110 % van de gemiddelde bezetting van de voorgaande
twee jaren.
De in het eerste lid bedoelde 80 % wordt herleid tot 70 % voor de erkende voorzieningen
van categorie 3.
§ 2. Wanneer bij toepassing van § 1 de berekende capaciteit lager is dan de vereiste minimumcapaciteit van de categorie waarvoor de voorziening is erkend, worden de subsidieerbare personeelskosten teruggebracht tot de aldus berekende capaciteit in verhouding met deze minimumcapaciteit.
§ 1. Om de uitgaven te vergoeden met betrekking tot het verblijf van
de minderjarigen die zelfstandig wonen, evenals voor het verblijf van de minderjarigen
in een voorziening van categorie 1 tot 4, of in een pleeggezin, worden aan de voorzieningen
van de categorieën 1 tot 4, 6 en 7 per minderjarige en per dag subsidies toegekend
overeenkomstig de tarieven bepaald in bijlage 3 bij dit besluit.
Er wordt slechts één dag aangerekend voor de dag van de opname en de dag van het
ontslag: hij wordt bestempeld als dag van de opname. De Vlaamse minister kan bepaalde
dagen afwezigheid met werkelijke aanwezigheid gelijkstellen.
§ 2.De subsidies voorzien in § 1 worden niet uitbetaald voor de personen vermeld
in artikel 1, punt 3°, b) die zelfstandig wonen, tenzij na uitputting van de procedure
waaruit blijkt dat de betrokkene geen recht heeft op het bestaansminimum en niet
over voldoende eigen inkomsten beschikt. De Vlaamse minister bepaalt de wijze waarop
aan de voorziening voorschotten worden verleend gedurende de tijd dat de procedure
loopt.
[De subsidies, vermeld in §1, die uitbetaald worden voor de personen, vermeld in
artikel 1, punt 3°, b), die zelfstandig wonen, worden verminderd met de eigen inkomsten
waarover de betrokkene beschikt. Voor inkomsten uit arbeid geldt op die vermindering
een vrijstelling als vermeld in artikel 35, §1, van het koninklijk besluit van 11
juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke
integratie]30.
§ 3. De in § 1 bedoelde subsidies die toegekend worden aan de voorzieningen van categorie 7 kunnen, in uitzonderlijke omstandigheden en bij beslissing van de [administrateur-generaal]31, rechtstreeks worden uitbetaald aan het pleeggezin.
§ 4. Behalve in het geval bedoeld in [artikel 19, 4°, a) en b)]32 kunnen de subsidies bedoeld in § 1 noch aan een voorziening van categorie 7, noch aan een pleeggezin worden toegekend indien meer dan vier personen in het pleeggezin worden opgenomen tegen vergoeding, al dan niet ten laste van de openbare besturen.
Aan de voorzieningen van de categorieën 1 tot 3 en 7 en aan de pleeggezinnen
bedoeld in artikel 39, § 3, worden subsidies toegekend om aan de minderjarigen zakgeld
te betalen, waarvan de tarieven bepaald zijn in bijlage 4 bij dit besluit.
De betaling van het zakgeld wordt door de voorziening gestaafd aan de hand van een
ontvangstbewijs dat door de minderjarigen wordt gedateerd en ondertekend.
De in het eerste lid bedoelde subsidies worden niet verleend voor de minderjarigen
die zelfstandig wonen of die over een maandelijks netto-inkomen beschikken van meer
dan 5000 fr.
§ 1. Subsidies om de uitgaven voor de werking en de infrastructuur te vergoeden, worden per maand toegekend aan de voorzieningen van de categorieën 1 tot 7, overeenkomstig de tarieven bepaald in bijlage 5 bij dit besluit.
§ 2. Indien de toepassing van artikel 38, § 1 een inkrimping van de capaciteit tot gevolg heeft, worden de subsidies bedoeld in § 1 in eenzelfde mate teruggebracht.
§ 1. Aan de voorzieningen van de categorieën 1 tot 3 en 7 en aan de pleeggezinnen
bedoeld in artikel 39, § 3, kunnen subsidies worden toegekend om bijzondere kosten
te vergoeden, met betrekking tot:
1° de inschrijving van minderjarigen bij een ziekenfonds of bij een gewestelijke
dienst van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
2° de aan de minderjarigen verstrekte buitengewone medische en paramedische verzorgingen,
zoals nader bepaald door de Vlaamse minister.
§ 2. Aan de voorzieningen van categorie 3 kunnen, onder de voorwaarden bepaald in artikel 44 eveneens subsidies worden toegekend om de kosten te vergoeden voor het herstellen van schade veroorzaakt door minderjarigen in crisissituatie.
§ 3. De Vlaamse minister kan in uitzonderlijke omstandigheden, met het oog op het behoud of het herstellen van de fysieke of psychische integriteit van de betrokken minderjarige, aan de voorzieningen van de categorieën 1 tot 3 en 7 en aan de pleeggezinnen bedoeld in artikel 39, § 3, subsidies verlenen voor bijzondere uitgaven waarin de vorige paragrafen niet hebben voorzien.
§ 4. Geen enkele subsidie voor bijzondere kosten kan worden verleend:
1° als een natuurlijk of rechtspersoon, wettelijk-, bij overeenkomst of ingevolge
een rechterlijke beslissing tot de betaling of de terugbetaling van die kosten is
gehouden;
2° als de kosten het gevolg zijn van een fout, nalatigheid of onvoorzichtigheid
van een personeelslid van de voorziening of van het pleeggezin.
De buitengewone medische of paramedische verzorgingen worden betaald of terugbetaald
naar rata van de bedragen vastgesteld door de wettelijke en reglementaire bepalingen
inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Bij opname in het ziekenhuis komt enkel het verblijf in een gemeenschappelijke kamer
voor subsidiëring in aanmerking, tenzij het verblijf in een afzonderlijke kamer
wegens uitzonderlijke omstandigheden verantwoord is.
Voor elk schadegeval bedoeld in artikel 42, § 2 moeten de navolgende documenten
worden overgelegd:
1° een omstandig verslag van de feiten opgesteld door de directie van de voorziening,
dat de crisissituatie staaft;
2° een becijferde inventaris van de beschadigingen.
Onverminderd de toepassing van artikel 45, tweede lid, worden de gemaakte kosten
slechts vergoed na advies van de inspectiedienst van [de administratie]33.
De voorziening die een subsidie wenst te krijgen voor bijzondere kosten richt
daartoe een gemotiveerde aanvraag aan de verwijzende instantie. Deze zendt de aanvraag
met haar advies ter beslissing van de [administrateur-generaal]34
door naar [de administratie]35.
De bijzondere kosten worden slechts betaald of terugbetaald na voorlegging van een
factuur of een ander verantwoordingsstuk.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de begeleidingen door de begeleidingstehuizen, dagcentra en diensten voor pleegzorg, gerealiseerd tijdens de nazorg niet als onderhouds- of begeleidingsdagen in aanmerking genomen.
§ 1.36 Voor de toepassing
van dit hoofdstuk worden de oriëntaties en de observaties die in ambulant verband
worden uitgevoerd, bedoeld in artikel 15, 3°, als begeleidingsdagen in aanmerking
genomen.
§ 2. Een opname bedoeld in de punten 1° en 2° van artikel 6 wordt slechts gesubsidieerd
gedurende maximum tien werkdagen.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden, wat de begeleiding betreft van minderjarigen thuis door de thuisbegeleidingsdiensten, de minderjarigen die tot eenzelfde gezin behoren slechts voor één minderjarige in aanmerking genomen.
§ 1. Het bedrag van de totale kosten, vastgesteld met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk, wordt verminderd met de bedragen die de voorziening van de openbare besturen of de door hen gesubsidieerde instellingen heeft ontvangen om uitgaven te dekken waarvoor zij met toepassing van dit besluit aanspraak kan maken op subsidies.
§ 2. De subsidies aan de voorzieningen van de categorieën 1 tot 3 en 7 en aan
de pleeg-gezinnen bedoeld in artikel 39, § 3, worden verminderd met alle andere
voor de minderjarigen uitgekeerde bedragen, zoals de kinderbijslagen en de studietoelagen[met,
enkel voor wat de voorzieningen van de categorie 7 en de pleeggezinnen betreft,
uitzondering van de verhoging van de leeftijdsbijslag, bedoeld in het koninklijk
besluit van 20 juli 2006 tot verhoging van de leeftijdstoeslagen vermeld in artikel
44 en 44bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders,
en tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot uitvoering van
de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag bedoelde verhoging
van de leeftijdsbijslag]37.
Voor minderjarigen geplaatst in pleeggezinnen wordt het bedrag aan kinderbijslag
dat voor deze vermindering in aanmerking komt, bepaald volgens het principe van
de evenredige verdeling. Dit houdt in dat de basisbedragen van de kinderbijslag
volgens de ranginname worden samengesteld en worden gedeeld door het aantal rechtgevende
kinderen. Bij dit gemiddelde worden de kind-eigen bijslagen, zoals leertijds- en
mindervalidenbijslag, opgeteld.
Voor het vereffenen van de subsidies dienen de voorzieningen een aangifte in,
overeenkomstig het model en binnen de termijnen vastgesteld door de Vlaamse minister.
Hierbij worden de bewijsstukken gevoegd, die de uitgaven staven waarvoor subsidies
worden verleend.
De personeelskosten worden bewezen door stortingen bij een organisatie van sociale
zekerheid of bij een pensioenkas, aangevuld met de werkgeversattesten, of op de
wijze door de Vlaamse minister bepaald.
Maandelijks worden voorschotten uitgekeerd, berekend op één twaalfde van de geraamde,
subsidieerbare, jaarlijkse kosten.
De definitieve vaststelling van de subsidies gebeurt door het bepalen van een regularisatiebedrag,
na het kalenderjaar tijdens hetwelk de in het eerste lid bedoelde voorlopige twaalfden
aan de voorziening werden uitgekeerd.
Bij een batige vereffening in hoofde van het fonds, kan de Vlaamse minister aan
de voorziening toestemming verlenen het verschuldigde bedrag in maandelijkse schijven
terug te betalen over een periode van maximaal één jaar.
[…].
Personeelsleden van de Vlaamse Gemeenschap, ter beschikking gesteld van het fonds,
houden toezicht op de boekhouding van de voorzieningen en op de aanwending van de
subsidies.
Zij kunnen onder meer op stukken of ter plaatse kennis nemen van alle toestandsopgaven,
comptabiliteitsbescheiden en andere verantwoordingsstukken. Zij kunnen hun onderzoekingen
zelfs buiten het jaarlijks kader van het lopend beheer uitbreiden.
§ 1. Enkel voor wat betreft de toelating om minderjarigen op te nemen, worden
de volgende voorzieningen gelijkgesteld met erkende voorzieningen:
1° de voorzieningen erkend in het kader van het decreet van 27 juni 1990 houdende
oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een
Handicap [of van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van een intern verzelfstandigd
agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap]39;
2° de voorzieningen erkend in het kader van het decreet van 29 mei 1984 houdende
de oprichting van de instelling Kind en Gezin [of het decreet van 30 april 2004
tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid
Kind en Gezin]40;
3° de ziekenhuizen bedoeld in het koninklijk besluit van 7 augustus 1987 houdende
coördinatie van de wet op de ziekenhuizen;
4° de voorzieningen die buiten het Nederlands taalgebied zijn gelegen en waarvoor
een overeenkomst werd gesloten met de Vlaamse Gemeenschap;
5° de schoolinternaten, voor zover zij niet meer dan zeven minderjarigen opnemen.
Deze beperking geldt niet voor het ARGO-internaat in Kuurne.
§ 2. De in § 1 bedoelde gelijkstelling kan worden ingetrokken na gemotiveerd advies van de inspectiedienst van [de administratie ]41of van de betrokken sector.
§ 1. De residentiële voorzieningen bedoeld in artikel 54, § 1, 3° en 5° krijgen,
per minderjarige en per dag dat deze in de voorziening verblijft, forfaitaire subsidies
overeenkomstig het tarief bepaald in bijlage 3 bij dit besluit. Voor deze voorzieningen
kunnen subsidies om bijzondere kosten te vergoeden toegekend worden overeenkomstig
artikel 42, § 1, § 3 en § 4, artikel 43 en artikel 45.
De Vlaamse minister kan subsidies verlenen aan de voorzieningen vermeld in het eerste
lid om aan de minderjarigen zakgeld te betalen overeenkomstig artikel 40.
§ 2. De artikelen 27, 29, § 1, 39, § 1, 50 en 51 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Er worden geen subsidies toegekend, indien er reeds door andere instanties
wordt gesubsidieerd of overheidskredieten ter beschikking worden gesteld voor het
onderhoud van de minderjarigen.
Deze beperking geldt niet voor de psychiatrische ziekenhuisdiensten voor wat betreft
de toepassing van de artikelen 40, 42, 43 en 45.
§1.Voor het organiseren en coördineren van een project, bedoeld in artikel 2, e) van de gecoördineerde decreten, kan ten laste van het fonds aan een daartoe specifiek opgerichte dienst of aan één of meer inrichtende machten, op hun aanvraag, een subsidie worden verleend.
§ 2. Een subsidieaanvraag is alleen ontvankelijk :
1° als ze door de inrichtende macht(en) of de opgerichte dienst bij de administratie
wordt ingediend bij aangetekende brief met ontvangstmelding;
2° als ze minstens de volgende gegevens bevat :
a) de identiteit en het adres van de inrichtende macht(en) of opgerichte dienst;
b) een omschrijving van het project;
c) een beschrijving van de maatschappelijke behoefte, de doelstellingen en de doelgroep
die met het project worden beoogd;
d) het aantal personen beneden de leeftijd van achttien jaar op wie het project
betrekking zal hebben;
e) een beschrijving van de processen en de methoden, evenals een voorstel van evaluatie
naar efficiëntie en effectiviteit van de beoogde hulpverlening, met de opgave van
de concrete meetfactoren;
f) een begroting van alle inkomsten en uitgaven die betrekking hebben op de realisatie
van het project;
g) een opgave van de gevraagde subsidiebedragen en van de bestemming van de bedragen.
§ 3. Artikel 11, 4° tot en met 13°, 17° en 19°, en artikel 11bis, 5°, 6°, 10°, 12° en 19° tot en met 21°, zijn van overeenkomstige toepassing op projecten.
§ 4. Onverminderd de specifieke criteria die door de Vlaamse minister per project
kunnen worden bepaald moet elk project voldoen aan de volgende inhoudelijke criteria
:
1° een gunstig effect hebben op de instroom en de uitstroom van minderjarigen in
de erkende en de door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde voorzieningen;
2° de eigen zorg en/of de zorg in het eigen milieu versterken;
3° op een structurele wijze een maximale participatie van de minderjarige en het
gezin waartoe hij of zij behoort waarborgen.
§ 5. De subsidie wordt verleend in het kader van een overeenkomst die wordt afgesloten
met de Vlaamse minister. De overeenkomst bevat minstens :
1° de vermelding van de identiteit en het adres van de contracterende partijen;
2° de opdracht, de doelgroep en de doelstellingen van het project en de effecten
die men met het project wenst te bereiken;
3° een verwijzing naar de § 3 en § 4 van dit artikel;
4° de vermelding van de specifieke criteria die door de Vlaamse minister per overeenkomst
worden bepaald;
5° de opgave van de subsidiebedragen en van de bestemming van de bedragen;
6° de vermelding van de uitbetalingsbepalingen van de subsidies;
7° de termijn van de overeenkomst, die langer kan zijn dan één jaar;
8° de vermelding hoe de overeenkomst wordt beëindigd.
§ 6. De subsidie wordt verleend op voorwaarde dat :
1° ze uitsluitend wordt aangewend voor de personeelskosten en de werkingskosten
die nodig zijn voor de realisatie van het project;
2° er een boekhoudplan wordt gebruikt overeenkomstig een rekeningstelsel bepaald
door de Vlaamse minister;
3° toezicht van de administratie mogelijk is op de boekhouding en op de aanwending
van de subsidies zowel op stukken als ter plaatse.
Onverminderd gewettigde terugvorderingen, wordt minimum 10% van het totale subsidiebedrag
pas uitbetaald na goedkeuring van een bij de administratie in te dienen inhoudelijk
en financieel eindverslag.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 inzake erkenningsvoorwaarden
en subsidienormen van de voorzieningen bijzondere jeugdbijstand, gewijzigd bij de
besluiten van de Vlaamse Regering van 2 augustus 1991, 18 december 1991, 15 december
1993 en 19 januari 1994, wordt opgeheven.
De ministeriële besluiten inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidiëringsnormen
betreffende de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand blijven van kracht
totdat ze worden opgeheven.
De subsidies voor het jaar 1994 en vorige kalenderjaren worden definitief vastgesteld overeenkomstig de regels van kracht op 31 december 1994 evenals volgens de overeenkomsten die dienaangaande tussen de toen erkende voorzieningen en de Vlaamse minister werden afgesloten.
§ 1. De minimumcapaciteiten bepaald [in artikel 13, 1°, 15, 1° en 16, 1°]43, zijn niet van toepassing op de voorzieningen die op 31 december 1994 respectievelijk als inrichting voor minderjarigen van nul tot achttien jaar, als onthaal- en oriëntatiecentrum, als observatiecentrum of als dagcentrum zijn erkend.
§ 2. Onverminderd de toepassing van artikel 31, § 2, zijn de artikelen 38, § 2 en 41, § 2 van overeenkomstige toepassing op de voorzieningen bedoeld in § 1.
[…].
De pleeggezinnen door wie op 31 december 1994 minderjarigen zijn opgenomen zonder de tussenkomst van een dienst voor plaatsing in gezinnen, ontvangen verder rechtstreeks de subsidies die voorzien zijn in de artikelen 39, § 1 en 40, uiterlijk tot aan de datum dat die opname eindigt. Artikel 42, § 1 en § 3 is tot aan die datum van overeenkomstige toepassing op die pleeggezinnen.
§ 1. Bij wijze van overgangsmaatregel komt volgende tewerkstelling verder in
aanmerking voor subsidiëring :
a) als verpleger in dienst en subsidieerbaar op 30 juni 1991 en de leden van het
administratief en logistiek personeel in dienst en subsidieerbaar op 31 december
1991, die in overtal waren op 1 januari 1992, met inachtneming van de regels terzake
op 31 december 1991;
b) het personeel komende vanuit de gewezen DAC-projecten en in overtal op 1 januari
2001.
§ 2. De inrichtende macht is er echter toe gehouden openstaande personeelsbetrekkingen
in één van haar erkende voorzieningen toe te wijzen aan het personeel in overtal
vermeld in § 1, dat voldoet aan de functie-eisen gesteld in de bijlage 1 van dit
besluit.
§ 1. De toepassing van artikel 35 kan niet tot gevolg hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de geldelijke anciënniteit die voor 1 januari 1989 werd verworven.
§ 2. De personeelsleden die op 30 november 1991 in dienst waren in de erkende
voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand en waarvan de geldelijke anciënniteit
voorheen werd berekend vanaf een aanvangsleeftijd lager dan deze bedoeld in artikel
35, § 3, behouden hun geldelijke anciënniteit.
De begeleiders klasse 3 die op 30 november 1991 in dienst waren in de erkende voorzieningen
van de bijzondere jeugdbijstand behouden bij de overgang naar klasse 2B de geldelijke
anciënniteit verworven in de functie van klasse 3.
De maatschappelijk assistenten die op 31 december 1994 in dienst waren in de diensten voor plaatsing in gezinnen en subsidieerbaar zijn als begeleider, behouden de salarisschaal MV 1.
De personeelsbetrekkingen, die in vergelijking met de subsidieregels van kracht op 31 december 2000 supplementair subsidieerbaar zijn, worden slechts voor subsidiëring in aanmerking genomen vanaf 1 juli 2001. Deze betrekkingen komen evenwel onmiddellijk voor subsidiëring in aanmerking indien ze worden ingenomen door personeel vanuit de gewezen DAC-projecten.
[…].
Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1995.
De Vlaamse minister bevoegd voor de bijstand aan personen is belast met de uitvoering van dit besluit.
1 Gewijzigd bij:
B.Vl.Reg. 19.XI.1996 (B.S. 24.XII.1996),inw.1.I.1995,
B.Vl.Reg. 8.XII.1998 (B.S.7.IV.1999),inw.1.I.1999,
B.Vl.Reg. 7.IV.2000 (B.S. 23.XII.2000),inw. 1.IV.2000,
B.Vl.Reg. 8.XII.2000(B.S.13.III.2001),inw.1.I.2001,
B.Vl.Reg. 30.III.2001 (B.S. 9.VI.2001),inw.1.I.2001,
B.Vl.Reg. 10.VII.2001(B.S.19.IX.2001),inw.1.I.2001,
B.Vl.Reg. 10.VII.2001(B.S.26.IX.2001),inw.1.I.2001
B.Vl.Reg. 14.V.2004(B.S.16.VII.2004),inw.1.I.2004,
B.Vl.Reg. 31.III.2006(B.S.31.V.2006) , inw.1.IV.2006,
B.Vl.Reg. 28.IV.2006(B.S.15.VI.2006), inw.1.I.2006,
B.Vl.Reg. 8.IX.2006(B.S.23.XI.2006), inw.1.I.2006,
B.Vl.Reg. 8.XII.2006 (B.S.25.I.2007), inw.1.I.2007,
B.Vl.Reg. 15.XII.2006(B.S.2.II.2007), inw.1.VIII.2006,
B.Vl.Reg. 15.XII.2006(B.S.26.VI.2007),inw.1.I.2007,
B.Vl.Reg. 20.IV.2007(B.S.19.VI.2007), inw.1.I.2007,
B.Vl.Reg. 19.VII.2007(B.S.10.VIII.2007), inw.1.I.2006,
B.Vl.Reg. 27.VI.2008(B.S.25.VII.2008), inw.1.VI.2008,
B.Vl.Reg. 3.X.2008(B.S.27.XI.2008), inw.1.IX.2008.
2 Art. 1,5° vervangen bij B.Vl.Reg. 8.XII.1998 (B.S.7.IV.1999),art.1,§1,1° en opnieuw vervangen bij B.Vl.Reg.31.III.2006(B.S.31.V.2006) , art.28,1° a).
3 Art.1,6° vervangen bij B.Vl.Reg. 8.XII.2000 (B.S. 13.III.2001),art.1,1° en opnieuw vervangen bij B.Vl.Reg.31.III.2006(B.S.31.V.2006) , art.28,1° b).
4 Art.1,21° ingevoegd bij B.Vl.Reg. 8.XII.1998 (B.S.7.IV.1999),art.1,§1,2°.
5 Art.1, 22° tot en met 27° toegevoegd bij B.Vl.Reg. 8.XII.2000 (B.S. 13.III.2001),art.1,2°.
6 In artikel 1 werd een 28° toegevoegd bij B.Vl.Reg. 30.III.2001(B.S.9.VI.2001),art.1.
7 In artikel 1 werd een een 29° toegevoegd bij B.Vl.Reg. 30.III.2001(B.S.9.VI.2001),art.1.
8 Art.1, tweede lid, ingevoegd bij B.Vl.Reg.31.III.2006(B.S.31.V.2006), art.28,2° en opgeheven bij B.Vl.Reg.8.IX.2006(B.S.23.XI.2006), art.4.
9 Art.1,30°, ingevoegd bij B.Vl.Reg.15.XII.2006(B.S.26.VI.2007),
10 Art.1, tweede lid, ingevoegd bij B. Vl. Reg. 31.III.2006 (B.S.31.V.2006), art. 28, 1°, c) en opgeheven bij B.Vl.Reg. 8.XII.2006 (B.S.25.I.2007),art. 4.
11 Art.2 , opgeheven bij B.Vl.Reg. 8.XII.1998 (B.S.7.IV.1999),art.1,§1,5 en opnieuw opgenomen bij B.Vl.Reg. 8.XII.2000 (B.S. 13.III.2001),art.2.
12 In artikel 3,§2 werd tussen de cijfers "1, 2," en "4, 5" het cijfer "3, "ingevoegd, bij B.Vl.Reg. 3.X.2008(B.S.27.XI.2008), art.1,1°.
13 In artikel 3,§2 werden tussen het woord "categorie" en het cijfer "7" de woorden "3 of" geschrapt, bij B.Vl.Reg. 3.X.2008(B.S.27.XI.2008), art.1,2°.
14 Hoofdstuk II, vervangen bij B.Vl.Reg. 8.XII.2000 (B.S. 13.III.2001),art.3.
15 Art.19,5°, vervangen bij B.Vl.Reg. 3.X.2008(B.S.27.XI.2008), art.2.
16 Hoofdstuk III,vervangen bij B.Vl.Reg.8.XII.1998(B.S.7.IV.1999),art.2.
17 In artikel 24 werd het getal "4 648" vervangen door het getal "4 848" bij B.Vl.Reg. 7.IV.2000(B.S. 23.XII.2000),art.1.
18 In artikel 24 werd het getal "4 648" vervangen door het getal "4 848" bij B.Vl.Reg. 7.IV.2000(B.S. 23.XII.2000),art.1.
19 In artikel 25 en 26, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998, worden de woorden "Vlaamse minister" telkens vervangen door het woord "administrateur-generaal" bij B.Vl.Reg. 15.XII.2006(B.S.26.VI.2007) , art.10.
20 In artikel 25 en 26, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998, worden de woorden "Vlaamse minister" telkens vervangen door het woord "administrateur-generaal" bij B.Vl.Reg. 15.XII.2006(B.S.26.VI.2007) , art.10.
21 Art.26bis, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998, werd vervangen bij B.Vl.Reg. 15.XII.2006(B.S.26.VI.2007) , art.11.
22 In artikel 26quater, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998, werden na de woorden "Vlaams minister" de woorden "of de administrateur-generaal" toegevoegd, bij B.Vl.Reg. 15.XII.2006(B.S.26.VI.2007) , art.12.
23 Art.27, vervangen bij B.Vl.Reg. 8.XII.2000 (B.S. 13.III.2001),art.4.
24 Aan artikel 30 van hetzelfde besluit, waarvan de bestaande tekst voortaan §1 vormt, werd een §2 toegevoegd, bij B.Vl.Reg. 3.X.2008(B.S.27.XI.2008), art.3.
25 Art.32,§2,7° vervangen bij B.Vl.Reg. 8.XII.2000 (B.S. 13.III.2001),art.5.
26 Art.32,§4,3° ingevoegd bij B.Vl.Reg.10.VII.2001 werd vervangen bij B.Vl.Reg.8.IX.2006(B.S.23.XI.2006), art.1,1°.
27 Artikel 32, § 4 werd aangevuld met de punten 3° en 4° bij B.Vl.Reg.10.VII.2001(B.S.19.IX.2001),art.1.
28 Art.32,§4,5°, toegevoegd bij B.Vl.Reg.8.IX.2006(B.S.23.XI.2006), art.1,2° en vervangen bij B.Vl.Reg.19.VII.2007(B.S.10.VIII.2007), art.1.
29 In artikel 33 werden de woorden " van artikel 11, A, 3°" vervangen door de woorden " van artikel 11bis,13°" bij B.Vl.Reg. 8.XII.2000 (B.S. 13.III.2001),art.6.
30 Art.39,§2, tweede lid, toegevoegd bij B.Vl.Reg. 27.VI.2008(B.S.25.VII.2008), art.1.
31 In artikel 39, §3, van het hetzelfde besluit werden de woorden "Vlaamse minister" vervangen door het woord "administrateur-generaal" bij B.Vl.Reg. 15.XII.2006(B.S.26.VI.2007) , art.13.
32 In artikel 39, § 4, werden de woorden " artikel 19, 5°, a) en b) " vervangen door de woorden "artikel 19,4°, a) en b)" bij B.Vl.Reg. 8.XII.2000 (B.S. 13.III.2001),art.7.
33 In artikel 11, A.7°, D, 2° en 3°, E, 1°, 4°a), 5° en 14° en F, 2°, artikel 13, 2°, 14, 10°, 44, 45 en 54, § 2, van hetzelfde besluit werden de woorden "het bestuur" vervangen door de woorden "de administratie" bij B.Vl.Reg. 8.XII.1998 (B.S.7.IV.1999),art.1,§2.
34 In artikel 45 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998, worden de woorden "Vlaamse minister" vervangen door het woord "administrateur-generaal"
35 In artikel 11, A.7°, D, 2° en 3°, E, 1°, 4°a), 5° en 14° en F, 2°, artikel 13, 2°, 14, 10°, 44, 45 en 54, § 2, van hetzelfde besluit werden de woorden "het bestuur" vervangen door de woorden "de administratie" bij B.Vl.Reg. 8.XII.1998 (B.S.7.IV.1999),art.1,§2.
36 Art.47,§1, vervangen bij B.Vl.Reg. 8.XII.2000(B.S. 13.III.2001), art.8.
37 Art.49,§2, eerste lid, gewijzigd bij B.Vl.Reg.15.XII.2006(B.S.2.II.2007), art.1, inw.1.VIII.2006.
38 Art. 52 opgeheven bij B.Vl.Reg.8.XII.2000(B.S. 13.III.2001),art. 13.
39 In artikel 54, §1 werden aan punt 1° de woorden “of van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap” toegevoegd bij B.Vl.Reg.31.III.2006(B.S.31.V.2006) ,art.28,3°,a).
40 In artikel 54, §1 werden aan punt 2° de woorden “of het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin” toegevoegd bij B.Vl.Reg.31.III.2006(B.S.31.V.2006) ,art.28,3°,b).
41 In artikel 11, A.7°, D, 2° en 3°, E, 1°, 4°a), 5° en 14° en F, 2°, artikel 13, 2°, 14, 10°, 44, 45 en 54, § 2, van hetzelfde besluit werden de woorden "het bestuur" vervangen door de woorden "de administratie" bij B.Vl.Reg. 8.XII.1998 (B.S.7.IV.1999),art.1,§2.
42 Art. 56, vervangen bij B.Vl.Reg.8.XII.2000 (B.S. 13.III.2001),art.9.
43 In artikel 59, § 1 werden de woorden " in punt C. 1° van artikel 12, in punt 4° van artikel 14 en in punt 5° van artikel 16" vervangen door de woorden " in artikel 13, 1°, 15, 1° en 16, 1°" bij B.Vl.Reg. 8.XII.2000 (B.S. 13.III.2001),art. 10.
44 Art. 60, opgeheven bij B.Vl.Reg.8.XII.2000(B.S. 13.III.2001),art. 13.
45 Art.62, vervangen bij B.Vl.Reg.10.VII.2001(B.S.26.IX.2001),art.1.
46 Art. 65, opgeheven bij B.Vl.Reg.8.XII.2000 (B.S. 13.III.2001),art. 13, werd opnieuw opgenomen bij B.Vl.Reg.10.VII.2001(B.S.26.IX.2001),art.3.
47 Art. 66, opgeheven bij B.Vl.Reg.8.XII.2000(B.S. 13.III.2001),art. 13.
© juriwel 2008 - Jongeren - Private voorzieningen