Portaalsite Vlaamse overheid > welzijn, volksgezondheid en gezin > beleid en regelgeving > JURIWEL:welzijns-  gezondheids- en gezinsregelgeving

U bekijkt momenteel de oude versie van Juriwel. Deze versie werd actueel gehouden tot 5 december 2008. De vernieuwde en actuele site vindt u op http://www.juriwel.be

| Home | Zoeken | Links | Contact

 

> Personen met een Handicap > Opvang in voorzieningen

KONINKLIJK BESLUIT VAN 23 DECEMBER 1970 TOT VASTSTELLING VAN DE VOORWAARDEN VOOR DE ERKENNING VAN DE INRICHTINGEN, TEHUIZEN EN DIENSTEN VOOR PLAATSING IN GEZINNEN TEN BEHOEVE VAN GEHANDICAPTEN (B.S. 30.I.1971, ERR. B.S. 6.IV.1971)1

Art. 1.
De aanvraag tot erkenning van de inrichtingen, tehuizen en diensten voor plaatsing in gezinnen, bedoeld bij artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit nr. 81 van 10 november 1967, tot instelling van een Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten, moet door de persoon die de instelling exploiteert of de exploitatie ervan beoogt bij de Minister van Volksgezondheid worden ingediend.

Art. 2.
Bij de aanvraag moeten volgende documenten en inlichtingen worden gevoegd:
1° een plan van de inrichting waarop de inwendige verkeerswegen van haar verschillende verdiepingen, de bestemming van de lokalen en het aantal bedden per kamer en slaapzaal staan aangegeven;
2° een nota met vermelding van de categorie(ën) van gehandicapten die men zich voorneemt er te zullen opnemen;
3° de lijst van het directiepersoneel, van het medisch, paramedisch, pedagogisch en opvoedend personeel van de inrichting;
2 een gedetailleerd verslag betreffende de brandveiligheid van de inrichting of het tehuis, opgemaakt door een dienst bevoegd op grond van het koninklijk besluit van 8 november 1967 houdende, voor de vredestijd, organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke brandweerdiensten en coördinatie van hulpverlening in geval van brand, indien:
a) het een eerste erkenning van een inrichting of een tehuis betreft;
b) het een wijziging van een erkenning betreft voor dit gedeelte van de inrichting of een tehuis dat in een ander gebouw wordt gehuisvest;
c) het een wijziging van erkenning betreft van een inrichting of een tehuis met internaatstelsel waar meer dan vijf personen worden opgenomen, wegens een wijziging van huisvesting omwille van een uitbreiding van de capaciteit met meer dan 10 procent.
De geldigheidsduur van het verslag is beperkt tot maximum 10 jaar.

Art. 3.
De Minister van Volksgezondheid onderzoekt de aanvraag.
Indien hij het nodig acht kan hij een onderzoek doen instellen door de ambtenaren die hij aanwijst.

Art. 4.
Om erkend te worden moet de inrichting beantwoorden aan de normen die in de bijlage van dit besluit zijn bepaald.
[Als de beheerders of personeelsleden van de inrichting gelden of goederen van de personen met een handicap beheren, dient voldaan aan de voorwaarden vastgesteld in uitvoering van de bepalingen van de artikels 47, 11°en 48 van het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap vastgestelde regels inzake het beheer van gelden en goederen voor personen met een handicap en inzake de oprichting van een toezichtsraad.]3
[Als het gemiddeld aantal in de voorziening of afdeling aanwezige personen met een handicap gedurende de laatste drie jaren of schooljaren minder bedraagt dan 85 % van het erkenningscijfer in de voorzieningen die erkend zijn voor de opname of behandeling van maximum 10 personen, voor de opname of behandeling van personen met een handicap van minder dan 21 jaar, of als tehuis voor werkenden voor de opname van maximum 30 personen, of als dit aantal aanwezigen gedurende diezelfde periode minder dan 90 procent van het erkenningscijfer bedraagt voor de andere voorzieningen, wordt dit cijfer teruggebracht tot de reële bezetting, verhoogd met 10 procent. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de observatiecentra en op de tehuizen voor kort verblijf.]4
De Minister van Volksgezondheid kan te allen tijde het naleven van de erkenningsnormen doen onderzoeken.

Art. 4bis.5
Onverminderd de bij artikel 4, eerste lid, bedoelde erkenningsnormen, moeten de in de hoofdstukken I tot IV van de bijlage bij dit besluit bedoelde voorzieningen voldoen aan de in uitvoering van artikel 47, 6_, [7_]6, 8_, 9°en 10°van het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap vastgestelde regels inzake inspraak, reglement van orde, protocol van verblijf, opvang, behandeling of begeleiding, en procedure van onderzoek en behandeling van de klachten van de bewoners [alsmede inzake gebruik van het identificatienummer bij het Rijksregister van natuurlijke personen] 7, waarvan de naleving een bijkomende erkenningsvoorwaarde vormt.
De bij hoofdstuk V van de bijlage bij dit besluit bedoelde diensten voor plaatsing in gezinnen moeten voor het verkrijgen of voor het behoud van hun erkenning voldoen aan de in uitvoering van artikel 47, 6°, [7°]8, 8°en 10°van voormeld decreet van 27 juni 1990 vastgestelde regels inzake inspraak, protocol van verblijf, opvang, behandeling of begeleiding, en procedure van onderzoek en behandeling van de klachten van de bewoners [alsmede inzake gebruik van het identificatienummer bij het Rijksregister van natuurlijke personen] waarvan de naleving een bijkomende erkenningsvoorwaarde vormt.
[De in dit besluit bedoelde voorzieningen moeten tevens aan de ter uitvoering van artikel 47 van voormeld decreet van 27 juni 1990 vastgestelde regels inzake herkenbaarheid van de financiering door het voormeld Vlaams Fonds voldoen]9.

Art. 5.
Van de beslissing van de Minister wordt aan de aanvrager kennis gegeven.
Bij weigering van de erkenning wordt de beslissing met redenen omkleed.

Art. 6.
Het koninklijk besluit van 15 september 1967, houdende vaststelling van de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de erkenning van de bijzondere inrichtingen, waarvan sprake in artikel 3, § 1, 2°en 3°van de wet van 27 juni 1956, betreffende het Speciaal Onderstandsfonds, kunnen worden erkend, wordt opgeheven.

Art. 7.
De erkenningen verleend ter uitvoering van het voormelde koninklijk besluit van 15 september 1967, blijven uitwerking hebben tot hun vervaldatum.
De aanvraag tot hernieuwing van die erkenningen moet ten laatste drie maanden vóór de vervaldatum worden ingediend.
De inrichtingen blijven voorlopig erkend totdat over die aanvraag uitspraak wordt gedaan.

Art. 8.
De voorlopige erkenningen, waarvan de inrichtingen genieten ter uitvoering van artikel 3, van voormeld besluit, houden op hun uitwerking te hebben na verloop van een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop dit besluit van kracht wordt. Die termijn kan met periodes van één jaar worden verlengd.

Art. 9.
De aanvragen tot erkenning, ingediend vóór de datum van het van kracht worden van dit besluit, blijven geldig en zullen worden onderzocht overeenkomstig de beschikkingen die, op het ogenblik van hun indiening, van kracht waren.

Art. 10.
Het koninklijk besluit van 28 november 1969, houdende overgangsmaatregelen inzake de erkenning van de inrichtingen voor de toepassing van het koninklijk besluit nr. 81, van 10 november 1967, tot instelling van een Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten wordt opgeheven.

Art. 11.
Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Art. 12.
Onze Minister van Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage : PDF 34 kB: download

1 Gewijzigd bij:
B.Vl.Reg. 7.XII.1987 (B.S. 23.III.1988), inw. 1.I.1984,
B.Vl.Reg. 15.XII.1993 (B.S. 8.VII.1994),inw. 1.VII.1994,
B.Vl.Reg. 30.III.1994 (B.S. 15.VII.1994), inw. 15.VII.1994,
B.Vl.Reg. 15.VI.1994 (B.S. 8.VII.1994), inw. 1.VII.1994,
B.Vl.Reg. 24.VII.1996 (B.S. 13.XI.1996), inw. 13.XI.1996,
B.Vl.Reg. 15.XII.2000 (B.S. 27.II.2001),inw. 1.V.2001,
B.Vl.Reg.6.XII.2002(B.S.21.I.2003),inw.1.I.2003

2 Art. 2, 4° vervangen bij B.Vl.Reg. 7.XII.1987 (B.S. 23.III.1988), art. 2.

3 In art. 4 werd tussen het eerste en het tweede lid een nieuw lid toegevoegd bij B.Vl.Reg. 15.VI.1994 (B.S. 8.VII.1994), art. 13, § 2.

4 In art. 4 werd tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd bij B.Vl.Reg. 24.VII.1996 (B.S. 13.XI.1996), art. 1.

5 Art. 4bis ingevoegd bij B.Vl.Reg. 15.XII.1993 (B.S. 8.VII.1994), art. 22, § 2.

6 In art. 4bis werd in beide leden het cijfer "7°" ingelast tussen de cijfers "6°" en "8" bij B.Vl.Reg. 30.III.1994 (B.S. 15.VII.1994), art. 3, § 2.

7 In art. 4bis werden de woorden "alsmede inzake gebruik van het identificatienummer bij het Rijksregister van natuurlijke personen" ingelast tussen de woorden "klachten van de bewoners" en "in acht nemen" bij B.Vl.Reg. 30.III.1994 (B.S. 15.VII.1994), art. 3, § 2.

8 In art. 4bis werd in beide leden het cijfer "7°" ingelast tussen de cijfers "6°" en "8" bij B.Vl.Reg. 30.III.1994 (B.S. 15.VII.1994), art. 3, § 2.

9 Aan art. 4bis werd een derde lid toegevoegd bij B.Vl.Reg.6.XII.2002(B.S.21.I.03),inw.1.I.2003.

Top van pagina