Sla navigatie over
Vlaanderen.be - uw wegwijzer binnen de Vlaamse overheid
startpagina | contact | sitemap integrale jeugdhulp  | zoek
 
 

 

 



Sector BJB

FAQ's

 

 

 

 

Kunnen vaccinaties geweigerd worden?

Wie beslist over de toediening van vaccinaties?

In de Belgische Wet PatiŽntenrechten (W.P.) wordt bepaald dat bij minderjarige patiŽnten, de rechten van deze patiŽnten (inclusief o.a. het recht om te beslissen over medische behandelingen en ingrepen) in principe uitgeoefend worden door hun wettelijke vertegenwoordigers (hun ouders of voogd).
Wanneer de behandelende arts echter van mening is dat hij te maken heeft met een bekwame, minderjarige patiŽnt, mag deze patiŽnt zijn patiŽntenrechten (en dus ook het recht om beslissingen te nemen over zijn gezondheidszorg) zelf uitoefenen zonder tussenkomst van wettelijke vertegenwoordigers onder toepassing van art. 12ß2 W.P.

Om een persoon juridisch als 'bekwaam' te beschouwen, wordt in de geldende rechtspraktijk aangenomen dat volgende 2 vragen positief moeten beantwoord worden:
1. Weet deze persoon voldoende wat in zijn belang is?
2. Kan deze persoon de gevolgen van zijn beslissingen/acties voldoende inschatten?


Daarnaast merken we dat beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg in de praktijk nog rekening houden met 2 bijkomende criteria wanneer ze een inschatting moeten maken m.b.t. de bekwaamheid van hun minderjarige patiŽnten:
1. Met de leeftijd van deze patiŽnt, en hier zien we dat de leeftijd waarop minderjarige als bekwaam beschouwd worden, opschuift van 15,16 jaar naar 12 jaar. (Wellicht in navolging van het DRM.)
2. Met de aard en het risico van de behandeling, ingreep.

Over het toedienen van vaccinaties aan onbekwame minderjarigen beslissen ouders (of voogd) als wettelijke vertegenwoordigers dus onder toepassing van hun ouderlijk gezag. Over het toedienen van vaccinaties aan bekwame minderjarigen beslissen deze minderjarigen echter zelf.

- Bij het CLB:
Voor het toedienen van vaccinaties door het CLB bestond tot voor kort regelgeving die stelde dat wettelijke vertegenwoordigers van minderjarige leerlingen, of meerderjarige leerlingen moesten toestemmen. Deze regelgeving werd ondertussen echter afgeschaft waardoor ook in de CLB-context de Wet PatiŽntenrechten moet toegepast worden.
Bekwame leerlingen (vermoed vanaf 12 jaar) beslissen hierdoor zelfstandig over de toediening van vaccinaties. Voor onbekwame leerlingen beslissen de wettelijke vertegenwoordigers.

In navolging van een advies van het Kinderrechtencommissariaat m.b.t. dit thema, willen we wel de nood benadrukken om ouders en leerlingen uitgebreid in te lichten over deze regelgeving (Wet PatiŽntenrechten) en de gevolgen ervan m.b.t. het aanbod van de CLB's op gezondheidsvlak (voor bekwame minderjarigen).

- In de Bijzondere Jeugdzorg:
Voor geplaatste kinderen in de BJB stelt art 53 Decreet BJB 2008 'Buiten de gevallen waarin er een medische tegenaanwijzing bestaat, mogen aan de minderjarigen die geplaatst zijn overeenkomstig de bepalingen van de jeugdbijstandsregeling preventieve vaccinaties en inentingen worden toegediend overeenkomstig de regels die door de Vlaamse Regering worden bepaald.' Dit artikel wordt verder uitgewerkt in het BVR van 18 juli 2008.
Dit BVR is echter nog niet van kracht, en bepaalt bovendien niets rond de toestemming voor de vaccinaties.
Waardoor we kunnen concluderen dat ook binnen de BJB toestemming voor vaccinaties van minderjarigen gegeven moet worden door de ouders (of voogd) wanneer het onbekwame minderjarigen betreft, en door de minderjarigen zelf wanneer ze bekwaam zijn (vermoed vanaf 12 jaar door het DRM).

Terug naar vragenlijst

Hebben wij toestemming nodig van de vader om een begeleiding te kunnen starten voor een baby van 5 maanden op vraag van de moeder.

 

Als jullie er geen weet van hebben dat de vader uitdrukkelijk niet akkoord gaat met een begeleiding, kunnen jullie op vraag van de moeder van start gaan:

1.A. Wanneer er sprake is van CO-OUDERSCHAP (gangbare situatie in BelgiŽ) dan moeten ouders SAMEN beslissen.Gaat ťťn van hen niet akkoord met bv. de begeleiding door een dienst dan kan de begeleiding niet plaatsvinden.

!! Ten aanzien van derden ter goeder trouw speelt hierbij het vermoeden uit art. 373 B.W.:

=> derden ter goeder trouw mogen er van uitgaan dat een vraag/beslissing van ťťn ouder gesteld/genomen is mťt toestemming van de andere ouder.

-> Wanneer derden dus gťťn weet hebben van een conflict tussen beide ouders rond een bepaalde kwestie,kunnen zij wel degelijk ingaan op een verzoek vanwege ťťn ouder van een onbekwame minderjarige (zelfs wanneer ouders gescheiden zijn of niet samenwonen). Men heeft de expliciete toestemming van de andere ouder hiervoor dus niet nodig.

-> Wanneer derden wel weet hebben van conflicten tussen beide ouders m.b.t. een bepaalde kwestie, zijn ze niet meer ter goeder trouw zoals waarvan sprake in het vermoeden dat de wet invoert. Dan heeft men wel de expliciete toestemming van allebei de ouders nodig. Indien men deze niet krijgt, kan men niets ondernemen. Tenzij een van de ouders een procedure zou opstarten bij de rechter om zijn toestemming te verkrijgen.

1.B. Wanneer er sprake zou zijn van EXCLUSIEF OUDERLIJK GEZAG (= zeer uitzonderlijke situatie in BelgiŽ en moet steeds voorzien worden door een vonnis) van ťťn van beide ouders kan deze ouder alleen beslissingen nemen. Wanneer de andere ouder dan niet akkoord is, moet hij hiervoor naar de rechter stappen om de beslissing van de ouder met exclusief ouderlijk gezag ongedaan te laten maken.

Terug naar vragenlijst

 

Ik begeleid een gezin binnen BJB (doorverwezen door de JRB) waarvan de ouders gescheiden zijn. De thuisbegeleiding gaat door in het gezin van de mama, daar verblijven de kinderen het meest. Er loopt tevens een Burgerlijke procedure over de omgangsregeling. In deze procedure heeft de advocaat van de papa delen uit een evolutieverslag van thuisbegeleiding geciteerd op de zitting. Kan dit?

 

In principe kan dit inderdaad niet, dergelijke verslagen die worden
opgemaakt kunnen enkel worden gebruikt voor doeleinden van de
jeugdhulpverlening.
 
Dit betekent dat, indien de advocaat een kopie van dit verslag zou
neerleggen als bewijsstuk, dit door de rechter "ambtshalve uit de debatten
zal worden geweerd". Concreet betekent dit dat de rechter dit verslag
buiten beschouwing zal moeten laten bij de beoordeling en de beslechting
van de zaak.
 
Maar...
 
Een advocaat kan steeds zaken citeren uit verslagen. Het gesproken woord
is immers vluchtig en vrij, en je mag alles zeggen waarvan je denkt dat
het jouw zaak vooruit kan helpen. Alles wat je beweert moet je in principe
ook bewijzen, wat je uiteraard niet doet als je het verslag niet neerlegt.
Maar ondertussen werd het wel gezegd en is de rechter op de hoogte.
 
Daarnaast is het ook zo dat een procedure met betrekking tot een
problematische opvoedingssituatie steeds voorrang heeft op een burgerlijke
procedure. Het kan dus zijn dat de burgerlijke discussie over de
verblijfsregeling met de kinderen wordt opgeschort, zolang er sprake is
van een problematische opvoedingssituatie. Dit valt onder het principe 'le
criminel tient le civil en ťtat'. De contacten met de beide ouders kunnen
dan in het kader van het POS-dossier worden toegekend.
 
Als de burgerlijke rechter toch een uitspraak wenst te doen, kan ťťn van
beide partijen steeds meedelen aan het parket (openbaar ministerie die
steeds op de zitting aanwezig is) dat er sprake is van een problematische
opvoedingsituatie, en vragen aan het parket om hieromtrent inlichtingen in
te winnen. Het parket kan dan, bij zijn advies dat hij moet formuleren
over de bezoekregeling, de burgerlijke rechter informeren over de pos (en
dus over het evolutieverslag).
 
Tot slot is er de discussie over het feit of ťťn en dezelfde jeugdrechter
mag oordelen in zowel een pos- als burgerlijk dossier dat handelt over
dezelfde kinderen. In Gent gebeurt dit nooit, in Brussel gebeurt dit
altijd. Dit betekent dat de jeugdrechter in Brussel steeds op de hoogte is
van het feit of er een pos-dossier hangende is voor een jongere, en wat
daar concreet in gebeurt.
 
Zoals je ziet zijn er dus een aantal mogelijkheden om ervoor te zorgen dat
de burgerlijke rechter op de hoogte is van de hulpverlening die wordt
georganiseerd in het kader van een pos. Dit kan mijn inziens niet worden
verhinderd.

Terug naar vragenlijst

 

 

Hoe lang moeten/ mogen cliŽntdossiers in de Bijzondere Jeugdzorg bewaard
worden? Is er een minimum- en maximumtermijn?

 

Conform art. 11, 16į Besluit voorzieningen BJB moeten de dossiers worden bewaard tot vijf jaar na de meerderjarigheid van de jongere. In de buitengerechtelijke hulpverlening wordt het dossier na afsluiting bewaard bij het secretariaat van het Comitť bijzondere jeugdzorg tot 5 jaar na de meerderjarigheid van de jongere. (art. 41 Besluit Comitťs).

In de gerechtelijke hulpverlening geldt met betrekking tot bepaalde dossiers ook de termijn van 5 jaar, maar het beginpunt van de bewaringstermijn verschilt evenwel. Art. 25 Besluit Soc. Diensten Jrb stelt dat het dossier met betrekking tot een jongere van wie een opdracht werd vervuld in het kader van de hulp- en bijstandsregeling vernietigd wordt 5 jaar na het beŽindigen van de pedagogische maatregel.

Als algemene regel geldt dat persoonsgegevens, in een vorm die toelaat om de betrokkenen te identificeren, niet langer mogen worden bewaard dan noodzakelijk is om de doeleinden te verwezenlijken. (art. 4ß1, 5į Wet Verwerking Persoonsgegevens).

Terug naar vragenlijst

 

Binnenkort nemen wij een minderjarige op die besmet is met het Hepatitis B virus.
Preventief zullen wij overgaan tot het inenten van al onze jongeren, maar hiervoor is toestemming nodig van de ouders. Deze zullen uiteraard vragen hebben bij het "hoe " en " waarom " hiervan. Hebben zij het recht om te weten dat er een jongere met Hepatitis in de leefgroep komt? Hoe zit het dan met de privacy van deze minderjarige?

 

De meest geschikte oplossing voor uw probleem zou erin bestaan alle jongeren preventief in te enten tegen Hepatitis B zonder dat hiervoor moet meegedeeld worden dat (en wie) er een jongere in de voorziening verblijft die besmet is met dit virus.

Deze preventieve inenting (in 1991 formuleerde de Wereldgezondheidsorganisatie een aanbeveling tot prentieve vaccinatie wereldwijd tegen het Hepatitis B virus) zou bv. onderdeel kunnen uitmaken van een breder gezondheidsbeleid waarin preventieve vaccinatie tegen een aantal veelvoorkomende virussen voorzien wordt.

Indien echter niet iedereen toestemt met een preventieve vaccinatie, kan er eventueel ook meegedeeld worden dat een bewoner (zonder dat die geÔdentificeerd kan worden n.a.v. de mededeling) besmet is met het virus en dat de voorziening daarom alle maatregelen neemt om verdere besmetting te voorkomen.

 

Zomaar aan de bewoners van de voorziening (of aan hun ouders) vertellen dat een bepaalde, identificeerbare, bewoner een bepaalde (besmettelijke) ziekte heeft, kan niet. Dit wordt verhinderd door het beroepsgeheim van de betrokken hulpverleners. Dit kan ook zo meegedeeld worden door de hulpverleners wanneer hierrond vragen komen van ongeruste bewoners of ouders.

 

   Artikel 458 van het Strafwetboek vormt de basis van het wettelijk vastgeleegd beroepsgeheim. 

Het beroepsgeheim wordt gewoonlijk omschreven als de geheimhoudingsplicht die van toepassing is op allen die uit hoofde van hun staat of beroep (onder bepaalde voorwaarden ook van toepassing op vrijwilligers en stagiairs) kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd. Het Hof van Cassatie beperkte de toepassing van art. 458 Sw. tot die personen die in het kader van hun staat of beroep als noodzakelijke vertrouwensfiguren optreden. (Mensen moeten genoodzaakt zijn om zich tot hen te wenden, gezien hun beroep of missie, ťn om hen in vertrouwen te nemen.)

 

   Artikel 458 Strafwetboek voorziet zelf in enkele uitzonderingen op de zwijgplicht die het invoert. Men is niet strafbaar indien men vertrouwelijke informatie bekendmaakt wanneer men een getuigenis aflegt in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie, noch wanneer men bij wet verplicht wordt om die informatie bekend te maken.

   Daarnaast zijn er nog enkele door de rechtsleer en rechtspraak erkende uitzonderingen zoals o.a. de verdediging in rechte en de noodtoestand.
Om van een noodtoestand te kunnen spreken, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Ten eerste moet er een daadwerkelijk en onmiddellijk gevaar dreigen. Ten tweede moet het belang of de waarde die men wil beschermen of minstens van gelijke waarde zijn dan het belang of de waarde uit de bepaling die men wil schenden, bv. de bescherming van de fysieke, seksuele of psychische integriteit van een persoon boven de toepassing van het beroepsgeheim. En tenslotte, moet het doorbreken van het beroepsgeheim de enige mogelijkheid zijn om het gevaar af te wentelen.

 

Ik zou niet meteen durven stellen dat er, in de door u voorgestelde casus, sprake is van een noodtoestand die jullie hulpverleners zou ontslaan van hun beroepsgeheim. De kans op een besmetting met het Hepatitis B virus is immers niet daadwerkelijk, noch onmiddellijk. En aangezien men ook een preventieve vaccinatiecampagne kan starten zonder daarom de identiteit van een besmette bewoner vrij te geven, kan het gevaar op besmetting ook op een andere manier afgewenteld worden dan door het doorbreken van het beroepsgeheim.

Er zou anders kunnen beslist worden in het geval de besmette jongere een (seksuele) relatie aangaat met een andere bewoner, waarbij de kans op besmetting veel groter en realistischer wordt. In dat geval zou men eventueel de noodtoestand kunnen inroepen om de partner van de besmette jongere in te lichten (indien de besmette jongere dit zelf niet zou doen).

Terug naar vragenlijst

 

 

"x" vroeg om niet aan haar moeder te vertellen dat ze niet naar school was geweest. Hier doen we niet aan mee, we lichten de moeder in.

Wanneer "x". vraagt dit niet te doen, mogen we dit niet doen (art. 23 DRP). Of verandert de zaak doordat I. leerplichtig is?

 

Alle informatie die verkregen wordt n.a.v. een hulpverleningssituatie is vertrouwelijk en valt onder de toepassing van het beroepsgeheim. Hulpverleners mogen hun beroepsgeheim enkel doorbreken naar ouders van een bekwame minderjarige wanneer hier een geldige reden voor bestaat. Bv. in kader van een noodsituatie.

In bovenstaande casus is het aan de school om de ouders in te lichten en niet aan de hulpverleners.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

"x" wil niet dat zijn familie te weten komt dat hij niet de biologische vader is van het kind dat hij gaat erkennen. We vinden dit echter geen goed idee dat hij dit gaat doen.

 

Alle informatie die verkregen wordt n.a.v. een hulpverleningssituatie is vertrouwelijk en valt onder de toepassing van het beroepsgeheim. Hulpverleners mogen hun beroepsgeheim enkel doorbreken naar ouders van een bekwame minderjarige wanneer hier een geldige reden voor bestaat. Bv. in kader van een noodsituatie.

Wanneer hulpverleners echter oordelen dat "x" niet in zijn belang handelt ťn onvoldoende de gevolgen van zijn beslissing om het kind te erkennen kan inschatten, kunnen ze eventueel beslissen dat "x" niet bekwaam is op dit gebied. En bij onbekwame minderjarigen mogen hulpverleners informatie doorgeven aan ouders waarover deze noodzakelijk moeten beschikken om gepaste opvoedingsbeslissingen te nemen.

 

 Terug naar vragenlijst

 

 

“Politie vraagt ons na te gaan waar T. was op bepaalde data. J. doet dit en belt dit door.” Wat vertellen, wat niet?

Vertellen waar hij was mag, maar ook wanneer hij heeft aangegeven dat dit vertrouwelijke informatie is (art. 23)?

 

Alle informatie die men verkrijgt n.a.v. de uitoefening van zijn beroep als hulpverlener is vertrouwelijk en valt onder het beroepsgeheim. Het beroepsgeheim wordt juridisch heel erg strikt toegepast en er worden enkel uitzonderingen op het beroepsgeheim aanvaard wanneer deze voorzien worden door de wet of algemeen aanvaard worden door rechtspraak (zoals bv. in een noodsituatie). Een voorziening mag dus niet doorgeven waar een minderjarige zich bevond op bepaalde data wanneer deze informatie verkregen werd in kader van een hulpverleningssituatie  

Hulpverleners mogen vertrouwelijke informatie ook NIET doorgeven aan de politie (tenzij er bv. sprake is van een noodsituatie waarbij de minderjarige in gevaar verkeert) of procureur des Konings. Dit kan wel op bevel van de onderzoeksrechter.

Terug naar vragenlijst

 

Een jongere van 12jaar weigert verdere hulpverlening, ouders willen wel nog hulp = belangenconflict en dus komt dit voor bemiddelingscommissie.

--> hadden we hier de jongere moeten aanbieden om een bijstandspersoon mee te nemen wanneer hij werd gehoord door de bemiddelingscommissie?

 

Volgens de geest van het DRP moet de minderjarige van bij het begin van de begeleiding (zoveel als mogelijk) geÔnformeerd worden over de jeugdhulpverlening en meer bepaald over zijn rechten binnen de jeugdhulpverlening. Het recht op een bijstandspersoon had in principe dus reeds van bij de aanvang van de hulpverlening moeten aangekaart worden, waarbij de mogelijke ondersteuning van een bijstandspersoon bij gesprekken met hulpverleners, bemiddelingscommissie, inzage in het dossier,... als voorbeeld kon gegeven worden.

Daarenboven is in de regelgeving m.b.t. de bemiddelingscommissie voorzien dat de minderjarige een vertrouwenspersoon (niet gebonden aan de voorwaarden van de bijstandspersoon) mag meenemen.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

Kan de nonkel van een jongere die huisarts is, bijstandspersoon zijn?

Absoluut.

Bijstandspersonen mogen nog niet betrokken zijn bij de actuele hulpverlening. En moeten ofwel beroepsgeheim hebben, ofwel tewerkgesteld zijn bij de instelling waar de minderjarige onderwijs volgt.

De nonkel is wellicht niet rechtstreeks betrokken bij de actuele hulpverlening ťn heeft beroepsgeheim. Hij kan dus optreden als bijstandspersoon als de minderjarige hem zelf kiest als bijstandspersoon.

Terug naar vragenlijst

 

Vragen mbt privacy rond betreden kamer, nemen van foto's door leden van de leefgroep en die op msn zetten, bekijken van chatgesprekken door begeleiders in de leefgroep.

Daarover kan je een zeer interessante tekst vinden in de nieuwsbrief jeugdrecht (pdf-document, 37 Kb, 3 pagina's)

 

Terug naar vragenlijst

 

 

Verhinderen van bezoek kan in principe niet. Maar wat als pleegouders niet willen dat bepaalde personen bij hen over de vloer komen?

In principe geldt onschendbaarheid van de woning. Men kan pleegouders dus niet verplichten om iedereen zomaar toe te laten in hun huis. Dan moet er wel op een andere manier contact voorzien worden tussen de minderjarige en de personen met wie hij contact wenst.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

Hoe zal de sensibilisering voor de BJB georganiseerd worden?

De OSBJ zal samen met het Vlaams Agentschap Jongerenwelzijn (vroegere Adminstratie Bijzondere Jeugdbijstand) de ondersteuning van de sector gezamenlijk vormgeven. Dit wil zeggen dat naast de private voorzieningen ook de gemeenschapsinstellingen en de verwijzers hieraan zullen participeren.

Via de site www.osbj.be (opent in een nieuw venster!) wordt de sector op de hoogte gebracht van nieuwe regelgeving, initiatieven, enz.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

Wat is het statuut van pleegouders?  En van de diensten voor pleegzorg?

  • In het DRP hebben pleegouders een dubbele hoedanigheid: zij zijn zowel opvoedingsverantwoordelijken als jeugdhulpaanbieders. Hierdoor hebben ze zelf een aantal rechten (vb. : art. 14) maar moeten zij ook instaan voor het vrijwaren van een aantal rechten van de kinderen (vb. : recht op contact met de ouders, recht op een menswaardige behandeling, enz.). Maar het DRP regelt in de eerste plaats het statuut van de minderjarige in de jeugdhulp. Het is de Federatie Pleegzorg die momenteel werkt aan een statuut van pleegouders.
    Voor meer info klik op: www.pleegzorgvlaanderen.be (opent in een nieuw venster!)
  • De Diensten voor pleegzorg vallen onder de definitie van jeugdhulpvoorziening.  Zij hebben, samen met pleegouders een gedeelde zorg.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

Geldt het toegangsrecht ook voor verslagen die een O.O.O.C. opmaakt op vraag van de jeugdrechtbank?

Ja, voor alle dossiers is het DRP van toepassing. De inhoud van de verslagen die je aan de jeugdrechtbank stuurt, kan je met de jongere en de ouders bespreken. Je mag echter geen kopie van de brief, gericht aan de jeugdrechtbank, aan de jongere geven, noch een kopie van het verslag als dit verslag begint met "Aan de jeugdrechter". Als het verslag begint met "Verslag, ter bespreking met de jongere" en je voegt daar dan door hem/haar te ondertekenen aanvullingen bij, waarna je het opstuurt aan de jeugdrechter met een kort briefje bij, kan je perfect aan open verslaggeving doen, ook binnen een gedwongen kader.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

Met betrekking tot ons logboek: dit is vooral een communicatiemiddel tussen de verschillende begeleiders + om de continuÔteit in de begeleiding te garanderen + ook wel een manier om info over de minderjarige te verzamelen en een volledig beeld te creŽren.  Heeft de minderjarige hier toegang tot?

Als het logboek gebruikt wordt om systematisch persoongegevens te verzamelen ťn bewaard wordt, dan is de Wet op de bescherming van de persoonsgegevens van toepassing en is er dus sowieso inzage- en verbeterrecht, ook los van het DRP.

Maar de filosofie achter het DRP is tenslotte de hulpverlening niet over het hoofd van de cliŽnt laten gebeuren d.m.v. open communicatie en het logboek kan daar ook een instrument toe zijn.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

Met betrekking tot persoonlijke nota's: tot op heden dachten we dat persoonlijke nota's soms wel kunnen gebruikt worden om ten aanzien van de inspectie dingen aan te tonen.  Strikt genomen zeg je dat persoonlijke nota's niet ter inzage zijn, maar indien wij die bewaren in ons dossier krijgt de cliŽnt hiertoe plots ook toegang?

Persoonlijke nota’s maken geen deel uit van het dossier, ze worden niet in het dossier bewaard. Dus is er ook geen toegangsrecht.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

Met betrekking tot de wet op de privacy: is het voldoende dat we ťťn gegevensbestand aanmaken met ťťn toegangscode waarin dan alle individuele mappen van de gasten zitten?  Of is het nodig dat elke gast een apart bestand heeft met een eigen toegangscode?

In art. 20 van het decreet rechtspositie wordt vooropgesteld dat het dossier zorgvuldig moet bijgehouden worden en veilig worden bewaard. Een verdere concretisering van wat dit inhoudt, is er niet gemaakt. Er wordt wel verwezen naar de wet betreffende de verwerking van de persoonsgegevens en de sectorale regelgeving.

 

De wet op privacy stelt het volgende:

 

HOOFDSTUK IV. - (Vertrouwelijkheid en beveiliging van de verwerking). <W 1998-12-11/54, art. 22, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2001> Art. 16. (ß 4.):

“Om de veiligheid van de persoonsgegevens te waarborgen, (moeten de verantwoordelijke van de verwerking, en in voorkomend geval zijn vertegenwoordiger in BelgiŽ, alsmede de verwerker, de gepaste technische en organisatorische maatregelen treffen die nodig zijn voor de bescherming van de pesoonsgegevens) tegen toevallige of ongeoorloofde vernietiging, tegen toevallig verlies, evenals tegen de wijziging van of de toegang tot, en iedere andere niet toegelaten verwerking van persoonsgegevens. <W 1998-12-11/54, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2001>

 

Deze maatregelen moeten een passend beveiligingsniveau verzekeren, rekening houdend, enerzijds, met de stand van de techniek terzake en de kosten voor het toepassen van de maatregelen en, anderzijds, met de aard van de te beveiligen gegevens en de potentiŽle risico's.

 

Op advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan de Koning voor alle of voor bepaalde categorieŽn van verwerkingen aangepaste normen inzake informaticaveiligheid uitvaardigen.“

De Commissie heeft een brochure uitgebracht. Op p. 16 daarvan staat dat de veiligheidsmaatregelen van tweeŽrlei moeten zijn: organisatorische maatregelen en technische maatregelen. Het gebruik van toegangscodes is een organisatorische maatregel. Maar hoe deze toegangscodes moeten toegepast worden, staat ook hierin niet vermeld.

 

Besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand (B.S. 10.XII.1994) stelt in art 11 bis, 4į dat:

“… de voorziening waarborgt het respect voor de grondrechten en de gebruikersrechten :
a) ze regelt de toegankelijkheid tot de dossiers en de afschriften van gegevens. Ze respecteert hierbij de vertrouwelijkheid van de gegevens; …”

Kortom, de voorziening moeten kunnen waarborgen dat de persoonsgegevens veilig bewaard worden, maar de afweging of 1 toegangscode per jongere of 1 code per map voldoende is om die veiligheid te waarborgen is een afweging die jullie moeten maken, omdat jullie daar het best voor geplaatst zijn.

 

Misschien zijn een aantal bijkomende veiligheidsmaatregelen noodzakelijk (afsluiten van bureau, beperking aantal mensen die toegang hebben tot mappen, enz….), maar ook dit is een afweging die jullie het best kunnen maken.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

Heeft de jongere inzage in het volledige dossier (m.a.w.: de map met alle officiŽle documenten, vroegere verslaggeving, beschikking, persoonlijke nota's,...) of bedoelt men enkel de uiteindelijke verslaggeving (m.a.w. voor ons gaat dat dan over het "oriŽntatieverslag", dat een neerslag is van alle informatie en dat we schrijven in opdracht van de verwijzers)?

In het DRP wordt het dossier omschreven als:

“alle gegevens die op een systematische wijze met betrekking tot de minderjarige worden verzameld en bijgehouden”.

De omschrijving van de verplichtingen in verband met het dossier in het decreet rechtspositie werd geÔnspireerd door de wet bescherming verwerking persoonsgegevens. Deze wet geldt onverkort, het decreet rechtspositie expliciteert bepaalde verplichtingen. Op basis van de wet bescherming verwerking persoonsgegevens ben je verplicht om alle persoonsgegevens die je over iemand hebt (ook de nota in het logboek dat het kind op school serieus gevallen is en de bult op zijn hoofd in het oog moet worden gehouden), ter verbetering toegankelijk te maken voor die persoon in kwestie.

 

In het decreet rechtspositie stelt men het recht van het kind op een netjes bijgehouden dossier voorop. Wat er minimaal in dat dossier moet zitten, wordt niet in het decreet omschreven, daarvoor verwijst het naar de sectorale regelgeving (erkenningsbesluiten) (en ook naar de wet verwerking en bescherming persoonsgegevens, maar daar staat niet in wat er in een dossier jeugdhulp moet zitten).

 

Er kan ook meer inzitten. Daarbij moet je dan wel voorzichtig zijn, dat gegevens die in het officiŽle dossier zitten, en dus in te kijken zijn door de inspectie bvb, de privacy van de minderjarige niet op onwettige wijze schenden.

 

Persoonsgegevens over de minderjarige, die niet noodzakelijk zijn voor de hulpverleningsopdracht, moeten spontaan verwijderd worden. In de Memorie van Toelichting staat nl. dat op basis van de Wet Verwerking Persoonsgegevens, de persoonsgegevens “ter zake dienend” moeten zijn en “niet overmatig zijn”. De hulpverlener heeft de constante plicht om de relevantie van de opgenomen gegevens na te gaan. De MJ kan zelf ook verzoeken het dossier bij te werken (art. 22, ß 6).

 

Informatie uit vorige voorzieningen, als dat persoonsgegevens zijn die jullie bijhouden, dan zit dat in jullie dossier en geldt het decreet rechtspositie. Als die vorige voorziening dat niet wil, moeten zij hun info maar ziften, of niet doorgeven. Gedeeld beroepsgeheim is noch een recht (je hebt geen recht op gegevens van een mede-professioneel), noch een plicht (je bent niet verplicht om jouw gegevens door te geven aan een mede-professioneel). Het is een mogelijkheid, als dat noodzakelijk lijkt in het belang van de cliŽnt. …n de cliŽnt moet op de hoogte zijn dat die gegevens worden doorgegeven.

 

De cliŽnt moet weten welke gegevens systematisch worden bijgehouden. Een kladschriftje dat de begeleider bijhoudt om op basis daarvan zijn rapporten of verslagen te schrijven, moet niet ter inzage worden gegeven aan de jongere, dat valt niet onder systematisch bijhouden.

 

Een logboek daarentegen is misschien toch wat anders. Wordt dit gebruikt om systematisch gegevens van de minderjarige bij te houden? Indien ja, dan gelden inderdaad dezelfde regels.

 

Alleszins heeft de jongere recht op kennisname van al de gegevens die over hem worden bijgehouden: wat over hem vermeld wordt in een teamverslag bvb, moet op ťťn of andere wijze aan hem ter kennis (kunnen) worden gebracht: sommige voorzieningen lossen dit op door systematisch aparte bladen per kind te gebruiken, bij alles wat ze noteren (denk aan heen-en-weer boekjes), en uit de teamverslagen te knippen en plakken naar een apart document op naam (en ter inzage) van de jongere.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

Wat als de hulpverlener vindt dat de minderjarige niet in staat is om te oordelen over zijn belang en de minderjarige zelf vindt van wťl?  Er wordt overleg gepleegd maar er komt geen akkoord en de minderjarige "wil een andere hulpverlener".

De MJ is bekwaam om zijn rechten uit het DRP zelfstandig uit te oefenen, ongeacht zijn leeftijd. Enkel voor 3 rechten moet de MJ in staat zijn tot een redelijke beoordeling van zijn belangen (rekening houdend met zijn leeftijd en maturiteit), nl.:

  • Recht op instemming met de buitengerechtelijke jeugdhulp (art. 8)
  • Recht om niet tegen zijn wil gescheiden te worden van zijn ouders (art. 13)
  • Recht op toegang tot het dossier (art. 22)

2 criteria spelen een rol om te beoordelen of de MJ in staat is tot een redelijke beoordeling : leeftijd en maturiteit. De HV moet deze afweging maken in overleg en dialoog met de minderjarige en zijn ouders (memorie van toelichting p. 45).

 

Komt men niet tot een vergelijk dan heeft de minderjarige te allen tijde (art. 10 ß 1) het recht om de interventie van een jeugdhulpverlener te weigeren, voor zover de opdracht en organisatie van de voorziening dit toelaat. Een weigering van de jongere mag de hulpverlening niet in het gedrang brengen.

 

Tenslotte is het eveneens van belang in gedachten te houden dat het gaat om vrijwillige hulpverlening en dat de bekwame MJ dus moet instemmen met de hulpverlening.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

Binnen het dagcentrum kan enkel op bepaalde tijdstippen een gsm gebruikt worden. Bij dringende zaken kunnen zij de telefoon van het dagcentrum gebruiken (hierbij wordt het telefoongeheim gerespecteerd). Druist deze beperking op gsm gebruik in tegen het DRP?

Het DRP stelt dat de minderjarige recht heeft om bezoek te ontvangen en om te gaan met personen van zijn eigen keuze in d residentiŽle of semi-residentiŽle voorziening. Dit omgaan met anderen kan op verschillende manieren gebeuren; telefoneren valt daar onder. Indien een organisatie beslist om beperkingen op dit contact met anderen op te leggen (vb. op bepaalde momenten kan telefoneren niet, afspraken i.v.m. gsm-gebruik), dan moet dit vooraf duidelijk gecommuniceerd worden aan de minderjarige en eventueel opgenomen worden in het huishoudelijk reglement.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

Momenteel mogen de jongeren slechts uitzonderlijk op het internet. Als ze toegang krijgen mogen ze geen mails versturen. Druist deze beperking in op het recht op privacy die in het DRP omschreven wordt?

Mails versturen is een andere manier om contact te hebben met familie, vrienden, enz. Het verbod op mails versturen is inderdaad een beperking op het recht op privacy. In het kader van het DRP is het belangrijk om als organisatie te reflecteren over waarom dit recht op die manier beperkt wordt. Kan het misschien ook anders?

Tenslotte, het uitgangspunt is: minderjarigen hebben dit recht, slechts in uitzondering kunnen er eventueel beperkingen op dit recht bepaald worden.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

Kan een jongere weigeren dat er een dossier over zijn hulp opgesteld wordt?

Neen de jongere kan niet weigeren dat er een dossier over zijn hulp opgesteld wordt.

De wet verwerking persoonsgegevens stelt dat het verwerken toegelaten is als er een wettelijke opdracht voor is.

In de BJB vereist de regelgeving dat er een dossier wordt opgesteld (erkenningsbesluit gebaseerd op decreet BJB).

 

Maar dat gebeurt dus niet op basis van het decreet rechtspositie: daar staat dat de jongere recht heeft op een goed bijgehouden dossier, dat betekent niet dat het een plicht is voor de jongere. In de andere sectoren van de jeugdhulp moet gekeken worden naar wat hun sectorale regelgeving zegt over het bijhouden van een dossier. Het DRP verwijst daar ook uitdrukkelijk naar.

 

Heel specifiek wat betreft de JAC's is er protest gekomen tegen de verwoordingen in de brochures van de Kinderrechtswinkel alsof voor elke jongere een dossier moet worden opgesteld: dat is niet zo, JAC's kunnen nog steeds anoniem werken. Ondertussen werd een stickertje verspreid die het mogelijk maakt om dit aan te vullen in de bestaande brochures.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

Een bekwame minderjarige geeft toestemming tot inzage in het dossier aan ťťn der ouders, die het dossier samen met een advocaat komt inkijken. Kan dit? En voor welke gegevens?

 

Volgens ons moet dit inderdaad kunnen wanneer een bekwame minderjarige hier uitdrukkelijk toestemming voor geeft. Dit wordt echter niet uitdrukkelijk door het DRP voorzien. Of het in de praktijk ook aanvaard zal worden dat ouders van een bekwame minderjarige toegang krijgen tot (bepaalde gegevens uit) het dossier, zal dus beslist worden door de jeugdhulpverleners in een concrete situatie of later misschien door de magistratuur wanneer hierrond procedures zouden gevoerd worden.

 

Wanneer een ouder toch toegang krijgt, zal hij toegang krijgen tot deze gegevens waartoe de bekwame minderjarige zelf toegang heeft, met uitzondering van de contextuele gegevens waarbij een ouder enkel toegang krijgt tot deze contextuele gegevens die hemzelf ťn het minderjarige kind betreffen.

 

Wat indien deze bekwame minderjarige geen uitdrukkelijke toestemming had gegeven, doch ook geen verzet had aangetekend?

Dan kan dit niet.

 

De algemene regel is dat ouders geen toegang hebben tot het dossier van een bekwame minderjarige. (Met uitzondering van de gegevens die enkel zichzelf betreffen want daar hebben ze toegang toe op basis van de wet verwerking persoonsgegevens.)

Uitzonderingen op deze algemene regel kunnen slechts voorkomen mťt uitdrukkelijke toestemming van de bekwame minderjarige.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

Gelden de rechten uit het decreet rechtspositie ook voor minderjarigen die geplaatst zijn in gemeenschapsvoorzieningen?

 

Het toepassingsgebied van het decreet rechtspositie valt samen met het toepassingsgebied dat bepaalt werd in het decreet integrale jeugdhulp.

Ook de gemeenschapsinstellingen maken deel uit van de integrale jeugdhulp, dus is het decreet rechtspositie ook van toepassing.

De enige beperking die van toepassing is , is dat rechten uit het decreet kunnen beperkt worden door een gerechtelijke beslissing. Zo hebben minderjarigen die geplaatst zijn door de jeugdrechtbank geen recht tot instemming met de jeugdhulp. Zo kan de rechter tevens beperkingen opleggen inzake het bezoekrecht.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

Heeft de minderjarige al dan niet toegang tot zijn gezondheidsgegevens  die in een aparte kaftje worden bijgehouden?

 

Het recht op toegang van de minderjarige tot zijn gezondheidsgegevens die apart bijgehouden worden, wordt geregeld door de Wet op de rechten van de patiŽnt.

De wet betreffende de rechten van de patiŽnt regelt het recht op toegang tot het dossier in artikel 9 ß2. Artikel 9 bepaalt dat de patiŽnt het recht heeft op inzage in het hem betreffend patiŽntendossier. Wanneer hij inzage vraagt, moet zo snel mogelijk en ten laatste binnen de vijftien dagen gevolg gegeven worden aan zijn verzoek. De patiŽnt kan ook een afschrift vragen van zijn dossier, of van het deel van het deel dat over hem gaat.

Op dit inzagerecht bestaan enkele uitzonderingen:

-         Persoonlijke notities van de beroepsbeoefenaar

Hierop wordt ťťn uitzondering voorzien: indien de patiŽnt zich laat bijstaan door een vertrouwenspersoon die ook een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg is, heeft deze wel inzagerecht in de persoonlijke notities.

-         Gegevens die betrekking hebben op derden

-         Therapeutische exceptie
Mits het in acht nemen van een aantal voorwaarden, kan de beroepsbeoefenaar beslissen dat bepaalde informatie niet aan de patiŽnt meegedeeld wordt.

 

Artikel 12 regelt de toepassing van de wet voor minderjarigen. De rechten opgenomen in de Wet op de patiŽntenrechten worden bij een minderjarige patiŽnt uitgeoefend door zijn ouders of andere wettelijke vertegenwoordigers. De minderjarige kan zelf zijn rechten als patiŽnt uitoefenen wanneer blijkt dat hij tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is.

 

Gezien de afwezigheid van een regeling inzake de leeftijd in de wet op de patiŽntenrechten is de beoordeling van de bekwaamheid sterk afhankelijk van de betrokken beroepsbeoefenaar. Daardoor komt er, bij weigering door de medicus om de minderjarige die bekwaamheid toe te kennen, een zware bewijslast bij de minderjarige patiŽnt te liggen die zijn competentie moet bewijzen. In die zin is de bepaling uit de wet patiŽntenrechten relatief zwakker dan artikel 4 uit het decreet rechtspositie (bekwaamheid van de minderjarige).